NRC 1 juni 1996

In Afrika wordt het ene land na het andere verwoest door bendeoorlogen en daar lijkt niets, helemaal niets aan te doen. Sinds jaar en dag zijn het Afrikanen die daar Afrikanen, inheemsen die inheemsen afmaken, van Algerije tot Angola en van Rwanda tot Liberia. In de dertig tot veertig jaar die sinds de dekolonisatie zijn verstreken is gebleken dat ze voor die slachtingen de Europeanen helemaal niet nodig hebben.

Eerst kon het nog lijken dat het hier ging om de onvermijdelijke krampen waarmee de Afrikaanse landen een nieuw machtsevenwicht moesten vinden. In een latere fase werd dat bloedvergieten gezien als een gevolg van het westers imperialisme, van Koude Oorlogsstokerij en van de Afrikaanse dependencia, de afhankelijke positie in het wereldsysteem. 
De laatste tijd wordt de oorzaak vaker gezocht in de binnenlandse verhoudingen, in de zwakte van kerken, vakbonden en het verenigingsleven, van de civil society. Bij gebrek aan houvast in andere sociale verbanden moeten mensen steeds weer steun zoeken bij hun clangenoten. Veel is ook te wijten aan het ontbreken van behoorlijk bestuur, good governance. Er is teveel corruptie, bureaucratie en incompetentie. Het belastingstelsel werkt niet, de ambtenaren krijgen hun salaris niet meer en gaan zelf met de pet rond. De soldaten ontvangen geen soldij en komen hun geld gewapenderhand bij de burgers halen. Ondernemende officieren beginnen voor zichzelf met een handvol rekruten en bevechten de concurrerende kleine zelfstandigen in het krijgsbedrijf met anderhalve tank en wat infanterie. De burgers worden geplunderd en uitgemoord, de rest slaat massaal op de vlucht en de ravage grijpt nog verder om zich heen. Dat gebeurt niet overal, maar her en der, en telkens weer.

Het is niet de schuld van het kolonialisme, al heeft die ellendige geschiedenis er veel mee te maken. Het komt ook niet door westerse inmenging, al spelen België, Frankrijk en de VS er een uiterst dubbelzinnige en ondoorzichtige rol in. Zonder twijfel hangt het samen met de mentaliteit van de Afrikanen, vooral voor zover die lijkt op de mentaliteit van de Amerikanen, Europeanen of Aziaten die zich in deze eeuw aan even erg geweld te buiten zijn gegaan. Het ligt ook aan de toevloed van modern wapentuig dat nog eens zoveel slachtoffers maakt. Maar enkel met knuppel, sikkel en mes werden in Rwanda toch ook in de kortste keren vele honderdduizenden afgemaakt.

Vroeger wisten de mensen in het Westen daar niet van. Of zorgden dat ze het niet wisten. Of ze trokken het zich niet aan, want die inboorlingen waren nu eenmaal zo verschillend, die hadden een harde hand nodig en ze stonden trouwens heel anders tegenover armoede, ziekte en dood. 
Maar nu weten we het wel. Regelmatig worden de tv-spelletjes en de sterreclame onderbroken voor een blok mensenleed en wie niet tijdig heeft gezapt is medewetend. Maar daarmee is nog niet gezegd dat ze er ook iets aan kunnen doen.
In Somalië hebben westerse troepen geprobeerd een eind te maken aan de bendeoorlog. Dat is slecht afgelopen. In Bosnië moet het nog goed aflopen. In Rwanda, Algerije, Liberia is de ellende niet te overzien.

Al ruim een jaar is onder Afrikaanse intellectuelen een discussie gaande over de 'herkolonisering' van delen van Afrika. Ze bedoelen dat letterlijk. De toonaangevende Afrikanist Ali A. Mazrui heeft heel behoedzaam voorgesteld om uit overwegend Afrikaanse landen een veiligheidsraad te vormen die met de wapens een eind moet maken aan de meest bloedige conflicten. Die raad moet daarna nog vele jaren het bewind voeren over de gepacificeerde gebieden. 
De Amerikaanse auteur William Pfaff heeft vorig jaar in Foreign Affairs en jongstleden zaterdag in de International Herald Tribune nog een driester voorstel gedaan: hij wil de meest geteisterde landen onder het mandaat brengen van de voormalige koloniale mogendheden, die immers bij uitstek terzake kundig en belanghebbend zijn.

Inderdaad, de Fransen blijven zich intens bemoeien met hun vroegere koloniën. In hun voormalige bezittingen zijn ze in het geniep even hard aan het stoken als ze in het openbaar aan het blussen zijn. Daar komt vreemd genoeg nauwelijks kritiek op. Maar verder is het niet goed denkbaar dat een grootscheepse westerse ingreep in Afrika geaccepteerd zou worden. Het koloniaal verleden van die landen boezemt nul en generlei vertrouwen in. Integendeel, zo'n buitenlandse interventie zou de ideale aanleiding zijn voor eensgezind verzet en de ergste roverhoofdman zou daarbij nog kunnen doorgaan voor een Afrikaanse held.
Maar ook het gematigde voorstel van Mazrui stuit op verwoede tegenspraak, bijvoorbeeld in het zeer leesbare CODESRIA-bulletin (Postbus 3304, Dakar, Senegal; fax +221 241289). Archie Mafeje vraagt zich af wat ooit de morele grondslag zou kunnen zijn voor een bestuursmandaat aan de landen die Mazrui noemt, Nigeria, Zaïre, Zuid Afrika, Ethiopië en Egypte. En waar moeten die landen het geld en de bestuurders vandaan halen? Waarom zouden de krijgsheren zich opeens wel de wet laten stellen door buitenlandse voogden? Op die vragen kan ook Mazrui geen afdoend antwoord geven. Maar hij zoekt tenminste in een wanhopige situatie met de moed der wanhoop naar een oplossing.

Ik weet niet of het mogelijk is om met militaire macht de vrede te herstellen in ontoegankelijk gebied waar gewapende krijgsbendes elkaar bestrijden. Daar zou een groot, geoefend en goed toegerust leger voor nodig zijn. Alleen de Verenigde Naties kunnen dat op de been brengen. Als de leden, de VS voorop, hun contributie eens zouden betalen was daar misschien nog het geld voor ook. Maar zonder interventie van buitenaf rest er niets anders dan maar afwachten tot het geweld in Afrika ooit een keer zal zijn uitgewoed.