Angst in New York

Een deur in New York is voorzien van een slot, zoals alle deuren overal op aarde. Een deur in New York is bovendien toegerust met een veiligheidsslot: Voorzichtige mensen waar ook ter wereld nemen geen risico. Maar in New York City hebben de buitendeuren ook nog een ketting met aan het eind een kogeltje dat in een gleuf aan de deurpost geschoven kan worden. Elke avond leggen drie miljoen New Yorkers die ketting vast, een miljoen New Yorkers vergeet het en de rest heeft hem er de hele dag op zitten. Het is bovendien wettelijk voorschrift dat in elke deur een gaatje moet worden uitgespaard voor een kijkgat: daarin zit een lensje waardoor de bewoner zijn bezoeker kan aanstaren zonder zelf gezien te worden. Omdat het breedveldlensjes zijn komt elke bezoeker eruit te zien als Orson Welles in zijn onguurste rol. Zo blijft de angst erin.
Nergens ter wereld zijn de mensen zo bang voor inbrekers, rovers, moordenaars en verkrachters als in New York. Het moet gezegd worden: nergens ter wereld ook zijn zulke mooie spullen om te gappen, zulke mooie vrouwen om achterheen te zitten. Dat is dan ook allemaal aan de orde van de dag, de wanorde van de nacht. Elk etmaal een nieuwe halsmisdaad. Er schijnt eens een nummer van een New Yorkse ochtendkrant te zijn uitgekomen met over de volle voorpagina de kop: VANDAAG GEEN MOORD en daaronder: 'Wat voert de onderwereld in zijn schild?'
De meeste misdaad in dit land is, net als overal, grof, bruut en stompzinnig. Maar ook hier kent de branche zijn artisten. Zoals in de eenvoudige sketch voor een dame en een heer: plaats van handeling een vrijgezel-lenflat. Een aardig meisje belt aan en vraagt of ze de telefoon even mag gebruiken. De bewoner ziet haar door zijn loerlensje wat vertekend en geflatteerd, opent de deur (krik krak, slot, krik krak, veiligheidsslot, krik krak, ketting). Hij laat het meisje binnen, en wijst haar de telefoon. Terwijl het meisje de lijn losrukt, springen twee mannen naar binnen en binden de bewoner zijn eigen colbertj e over het hoofd. Spaargeld, tafelzilver, o mijn lieve Augustijn (alles is weg). Daarom zijn er zoveel telefooncellen in New York en is het er zo moeilijk een kwartje te wisselen, een vuurtje te vragen of alleen maar te informeren hoe laat het is. Elk contact met een onbekende kan immers omslaan in chantage, roof en moord.
In sommige wijken verraden 's nachts alleen de politieauto's dat dit barre stadslandschap door mensen bewoond wordt. Bijna steeds gebruiken ze hun sirenes die ze met handbediening kunnen laten zwellen, klimmen, dalen. Geweeklaag bij elke hoek, gemor in de rechte stukken. Eindelijk een menselijk geluid, vergroot naar de schaal van de metropool. Daar waar een mensenstem niet tot aan de overkant draagt, communiceren alleen nog de sirenes van blok tot blok. Ooit zal een generatie stadsbewoners opgroeien die knipoogt met een flikkerlicht, fluistert met sirenes en bumper aan bumper kust.
In zijn flat - geen trap naar beneden - huivert de New Yorker en kiest een griezelfilm op de tv. Geen horror op het scherm is hem bar genoeg om de godverlaten vlakte ver onder zijn raam te vergeten. Geen vriend die hem onverwacht opzoekt. Want hoe omhoog te komen? Beneden aan de straatdeur, vierentwintig uur per dag, staat de portier, die niemand zomaar binnenlaat: eerst moet naar boven worden getelefoneerd. De bewoner herkent de stem van de bezoeker. Of niet: wie verkouden is verliest op slag al zijn vrienden. Maar goed, dit keer herkent hij de stem, de bezoeker mag naar boven suizen in het stalen doosje. Hij stapt uit en komt in het blikveld van het kijkgat: Het komt er nu voor hem op aan er gewoon uit te zien, zoals hij er uitziet. Maar niet er zo uit wíllen zien, want dat wil alleen de oplichter met kwaad in de zin. Gewoon doen heeft ook geen zin, want de indringer met vals voorkomen doet wie weet ook gewoon. 'Ik ben het' roepen, helpt helemaal niet; dat kan iedereen wel zeggen. In New York is iemand iemand niet totdat het tegendeel bewezen is. De New Yorkers zijn overtuigd van de noodzaak van hun voorzorgen en in hun angst zien ze gerechtvaardigde vrees. Stuk voor stuk hebben ze hun onaangename ervaringen die dan in gezelschap aangename conversatie vormen. Sociologen, psychologen en criminologen voegen daar hun geleerde explicaties aan toe. Dat is hun boterham. Maar voor de eenvoudigen en de bangen - en voor mij - blijft het de Maffia: Cosa Nostra, 'Onze Zaak', gemene zaak. Onlangs zijn weer dertien hoofdmannen gearresteerd, verenigd op een vriendschapsmaal, nu alweer vrij op borgtocht en waarschijnlijk is niet een van hen ooit klem te krijgen, ondanks drie onopgeloste en wie weet hoeveel onontdekte moorden in hun stadsdeel. De Maffia blijkt onuitroeibaar, ingekankerd als een slechte gewoonte. Verontwaardiging helpt niets, de volkswoede is al lang geleden aan uitputting bezweken. Langzamerhand wordt de Maffia opgevat als een manier van economische ordening, een soort PBO, maar dan tot stand gebracht van onderop. Zoals gebruikelijk wanneer orde wordt geschapen in een versnipperde branche, ditmaal de kruimelmisdaad, is enige dwang onvermijdelijk: verplichte vestigingsvergunning en gedwongen contributies. Zo is de chaos bezworen, zelfs in de onderwereld. Dank aan het Hoofdbedrijfschap Terreur! Het publiek mort van tijd tot tijd, maar vreest toch het meest de kleine ongeorganiseerden van de misdaad.
De politie wordt belemmerd door legale kleinigheden en misschien ook door een overmaat aan begrip voor een andere organisatie op hetzelfde gebied. Iedereen wil wel van de Maffia af, maar niemand graag genoeg. Dat was New York vanuit een beklemde visie. Met stads- en staatsnaam: New York, New York. Het klinkt als een verzuchting.