Lezing op 26 maart 2003 voor de Nederlandse Vereniging voor Toegepaste Taalwetenschap.
Gepubliceerd in ANéLA 2003, nr. 2 (november).

Van oudsher heeft de taalkunde een normatieve inslag. Het was de linguïsten nooit genoeg om te onderzoeken hoe mensen praten of schrijven, of wat ze te zeggen hebben. Ze wilden hun ook vertellen hoe het moest. Intussen zingen die voorschrijvers een toontje lager en kent het grote publiek de prescriptieve taalkunde in Nederland alleen nog van de spellingshervormingen. De echte taalkundigen generen zich daar een beetje voor. Nu die regels worden ingevoerd in tekstverwerkingsprogramma’s en door de computer automatisch toegepast, neemt niemand er na schooltijd nog nota van en heeft de spelling alleen nog vermaakswaarde als wedstrijdsport in tv-dictees.

Inmiddels heeft zich een heel nieuwe generatie betweters aangediend in de taalkunde, althans in een uitloper daarvan, de sociolinguïstiek. Ook daar zou het voor de hand liggen nu eerst maar eens goed te bekijken wat mensen in feite doen als ze met elkaar praten, als ze proberen zich in hun taalgebruik van anderen te onderscheiden of zich juist bij hen aan te passen, wanneer ze in contact komen met sprekers van andere talen, of wanneer ze moeite doen om zich andermans taal eigen te maken. Dat zijn vragen waarmee sociolinguïsten zich bezig houden en in dat werk ontmoeten ze geestverwante onderzoekers uit de belendende sociale wetenschappen, vooral sociologen, maar ook politicologen, geografen, antropologen en economen. Dat maakt de sociolinguïstiek zo’n levendig, inspirerend, afwisselend en belangwekkend vak.

Maar deze generatie sociolinguïsten heeft een slecht geweten. Ze spreken en schrijven zelf vrijwel vlekkeloos één of meer grote talen. Dat geeft hun werk alle kansen op verbreiding en biedt hun het perspectief op een loopbaan aan de universiteit. Ondertussen bestuderen velen bij voorkeur talen die zulke kansen niet te bieden hebben aan hun gebruikers. Zij onderzoeken bijvoorbeeld het taalgedrag van de kleine, geïsoleerde volkeren die hun omgeving nog niet hebben omgeploegd en geasfalteerd, en die nog steeds moeten overleven met de beproevingen en de bestaansmiddelen van regenwoud, steppe, sneeuwvlakte of woestijn.
Andere sociolinguïsten houden zich bezig met het taalgebruik van immigranten die uit de minder welvarende en meestal ook minder democratische landen naar de rijkere en meestal ook vrijere landen in het Westen zijn gekomen. De taal van hun land van herkomst mag een cultuurtaal zijn, gevestigd sinds duizenden jaren (denk aan Mandarijn of Hindi, aan Turks of Arabisch), het kan ook een taal zijn die daarginds schriftloos en zonder aanzien vegeteert. Hoe het ook zij, met de taal van herkomst zijn ze van ver gekomen en komen ze nu niet verder.
Nog weer andere onderzoekers passen de sociolinguïstiek toe op de sprekers van een streektaal, die hoe inheems, hoe eerbiedwaardig ook, wordt verdrongen door de officiële taal, de nationale taal, de landstaal zoals die op staatsgezag is verbreid en opgelegd. Toch zou geen sociolinguïst hierover schrijven in het Bretons of Welsh. Die talen blijven voorbehouden aan de streekbewoners zelf. De onderzoeker verkiest een taal die hem publiek verschaft en prestige. Dus spreekt men van taalmoord, van linguicide, op het Welsh - in het Engels - en klaagt men de glottofagie, taalvraat, van het Bretons aan - in het Frans. De linguïstiek heeft haar missie hervonden, niet langer het correcte taalgebruik voorschrijven, maar de bedreigde talen bescherming bieden.

Wat betekent het eigenlijk dat een taal bedreigd wordt, uitsterft of al dood is? Het betekent niets anders dan dat de mensen die zo’n taal kennen haar steeds minder gebruiken, de finesses gaan verwaarlozen, steeds meer gebruikmaken van een andere, rivaliserende taal en ten lange leste de oorspronkelijke taal niet langer aan hun kinderen leren en haar zelf goeddeels vergeten. Een taal bestaat in het gebruik dat mensen er met elkaar van maken. Dat is de grondslag van de sociolinguïstiek. Een taal gaat niet dood, laat staan dat ze vermoord wordt. De mensen die de taal spreken houden er gaandeweg mee op. Het is dus beter om niet van taalsterfte te spreken, maar van taalverlating.

Mensen geven hun taal van herkomst op omdat ze elders heen trekken of iets anders gaan doen en in dat nieuwe bestaan meer van een andere taal verwachten. Of ze gaan die taal verwaarlozen omdat op school, in de ambtenarij en in de rechtspraak een andere taal in zwang is en hun eigen taal met misprijzen wordt behandeld. Of ze moeten van hun oorspronkelijke taal afzien omdat ze leven onder de heerschappij van een ander volk dat hun zijn taal oplegt, terwijl zijzelf de moed verloren hebben en daarmee ook de zorg om het behoud hun taal. Soms wordt een heel volk eenvoudig uitgeroeid. Dan sterft de taal met haar sprekers.
Er kunnen allerlei oorzaken zijn waarom mensen hun taal opgeven, sommige van de bitterste tragiek en andere die eerder tot voldoening stemmen. Eén ding staat vast: er is altijd meer aan de hand dan enkel een verschuiving wèg van de oorspronkelijke taal. Het past dus niet om over taalverlating altijd in rouwende bewoordingen te spreken. Het kan soms een opluchting, een bevrijding en een verrijking betekenen: ‘een zucht van Verlichting’.. Het past evenmin om over deze sociale ontwikkelingen uitsluitend in termen van taalverlies en –sterfte te spreken. Het is telkens nodig om na te gaan onder welke maatschappelijke verhoudingen zich die taalverlating heeft voltrokken.

Elke taal is voortgekomen uit de collectieve creativiteit van mensen over het verloop van tientallen, honderden, soms duizenden jaren. De verdwijning van een taal, schriftloos of geschreven, is een onherstelbaar cultuurverlies. Een taal is als cultuurgoed gelijk te stellen met de piramides van Egypte of de Middeleeuwse kathedralen, met de Afrikaanse polyritmiek, of de Europese polyfonie. Het spreekt vanzelf dat een taal die in onbruik dreigt te raken op elke mogelijke wijze moet worden vastgelegd en beschreven. Dat is bij uitstek de taak van linguïsten. Toen op initiatief van Uhlenbeck en anderen in 1992 een programma voor de ‘endangered languages ’werd opgesteld ging het in de eerste plaats om de vastlegging van die bedreigde talen, al klonk daarin van begin af aan het streven door om die talen ook in stand te houden (Dorian, 1981; Fishman, 1991; Robins & Uhlenbeck, 1991; Language,1992; Brenzinger, 1992).
Toen al schreef Peter Ladefoged (1992) daar enkele kritische kanttekeningen bij. Hij wees erop dat er heel goede redenen kunnen zijn om een taal op te geven en een ander te gaan gebruiken. Als voorbeeld noemde hij het Toda-volk in India:

“They also realize that with less than 1,000 speakers they are unlikely to remain a distinct entity. Many of the younger people want to honor their ancestors, but also to be part of a modern India. They have accepted that, in their view, the cost of doing this is giving up the use of their language in their daily life. Surely, this is a view to which they are entitled.” (p. 810).

Of de Toda daar goed aan doen kunnen linguïsten met al hun vakkennis niet voor hen uitmaken. Het zou bevoogding zijn om hun daarin iets voor te schrijven.
Ladefoged had nog een tweede tegenwerping, die minstens zo ingrijpend is.
Hij geloofde niet dat de culturele verscheidenheid verminderde als er minder talen overbleven: ‘different cultures are always dying while new ones arise.’ En hij adstrueert zijn stelling:

“In the popular view the world is becoming more homogeneous, but that may be because we are not seeing the new differences that are arising. Consider two groups of Bushmen, the Zhu|oãsi and the !Xóõ, who speak mutually unintelligible languages belonging to different subgroups of the Khoisan family, but otherwise behave in very similar ways. Are these groups more culturally diverse than Appalachian coalminers, Iowa farmers, and Beverly Hills lawyers?” (p. 810).

En dat zijn alleen nog maar enkele Amerikaanse subculturen binnen het Engelse taalgebied, waarin zich nog talloze andere subculturen manifesteren in Ierland, India, Engeland, Australië of Canada, in Nigeria, Hongkong, Ghana en Zuid-Afrika. Taalverscheidenheid is dus maar één dimensie van culturele diversiteit. Het is zelfs heel goed vol te houden dat die veelsoortigheid nog beter tot zijn recht komt binnen één taalgebied waarin de verscheidene subculturen veel directer met elkaar geconfronteerd worden dan gemeenschappen die door het taalverschil nauwelijks contact met elkaar hebben. Monolinguïsme en multilinguïsme correleren maar zeer ten dele met homogeniteit en verscheidenheid.

Jan Blommaert (2001) voegt daar nog een belangrijk argument aan toe in een recente, doordachte beschouwing bij de Asmara-verklaring over de linguïstieke rechten van Afrikaanse talen: De ongelijke sociale verhoudingen, de machtsongelijkheid, de inkomensverschillen, de verschillen in sociaal prestige hangen maar zeer ten dele samen met verschillen tussen taalgemeenschappen, meent Blommaert. Gelijkberechtiging van talen kan daar al heel weinig aan veranderen. Binnen elke taalgroep bestaan grote verschillen tussen sprekers. Door aan een achtergestelde minderheidsgroepering taalrechten te gunnen wordt daar niet veel aan veranderd: “Granting a member of a minority group the right to speak his or her mother tongue in the public arena does not in itself empower him or her.” Het gaat om de beschikbaarheid, toegankelijkheid en toeëigening van specifieke taalvaardigheden, zoals vaardigheid in de geletterde standaardvariant, de machtsversie van een taal. Dit zou een gediplomeerd sociolinguïst toch niet meer voorgehouden hoeven te worden. Maar de voortrekkers in de strijd om de rechten van achtergestelde talen is dit inzicht blijkbaar weer ontgaan.
Hoezeer ook linguïsten geobsedeerd worden door de taal, zij hoeven daarom nog niet te vervallen tot linguïstisch solipsisme, schrijft Blommaert. De grondslag van de sociolinguïstiek is nu juist dat talen bestaan in het feitelijk gebruik dat mensen er met elkaar van maken, dat die talen functioneren binnen gegeven maatschappelijke verhoudingen en dat mensen al pratend die verhoudingen verder vorm en inhoud geven.

De beweging voor taalrechten, tegen taalimperialisme, tegen ‘linguïcisme en linguïcide’, is daarmee losgeraakt van de sociolinguïstiek. In plaats van theorie komt beeldspraak: de vergelijking van uitstervende talen met uitstervende plant- en diersoorten. Maar die metafoor is misleidend (1). Een hele beweging is gebaseerd op dit misverstand (2). Zie bijvoorbeeld een zinsnede op de webstek van Terralingua, aangehaald door Blommaert (2001, 11): ‘We know that the diversity of species lends stability and resilience to the world’s ecosystems. Terralingua thinks that a diversity of languages does the same for the world’s cultures…’ Maar Ladefoged zei het al: afnemende taaldiversiteit leidt niet noodzakelijk tot een vermindering van cultuurverscheidenheid. Er is nog een principiëler verschil: om een soort in stand te houden is het genoeg dat de mensen haar habitat met rust laten. Maar om een taal te behouden moeten mensen haar juist blijven spreken, ook onder radicaal veranderde omstandigheden, als het moet tegen heug en meug. Want talen zijn mensenwerk.

Waar feitelijke waarneming en theorievorming ontbreken komt het aan op emotionele evocatie: De korenwolf, dat lieve dier, is een zeldzaamheid geworden, de panda, dat zwartwitte knuffelbeest, is vrijwel uitgestorven, het Bretons, die mooie taal, is ernstig bedreigd, het eeuwenoude Sorbisch staat op verdwijnen en ondanks de hoge bescherming van Durk Gorter voelt ook het Fries zich al een tijd niet lekker meer. Het komt in wezen neer op sentimentalisme, op taalsentimentalisme. Het is – vrij naar Van Dale - de benadering die bekende gevoelens overdreven aanduidt om daardoor een traditioneel medegevoel op te wekken.

Neem de Asmara Verklaring over Afrikaanse talen van 17 januari 2000 (Asmara Declaration, 2000). Artikel 1 luidt: “African languages must take on the duty, the responsibility, and the challenge of speaking for the continent.” Ik citeer, maar ik begrijp het niet. Talen die een plicht, ja zelfs een verantwoordelijkheid op zich moeten nemen...? Alsof die talen personen waren, personen met het bovenmenselijk vermogen om voor een heel continent te spreken. De kenner van het genre heeft de herkomst van dit gedachtegoed al herkend: Tove Skuttnab-Tangas en Robbert Phillipson (b.v. 1999), de dorpsfanatici van de linguïstiek, die weliswaar zelden serieus genomen worden, maar al even zelden openlijk worden tegengesproken.
De inkt was nog niet droog in Asmara of hij begon alweer te vlekken in Oegstgeest. Dat is toch een eind dichter bij huis. De Verklaring van Oegstgeest van 30 januari 2000 (in een appendix bij Extra en Gorter, 2001) opent met een misvatting die al door Ladefoged was weerlegd: ‘the intrinsic relation between multiculturalism and multilingualism in Europe, as expressed in the vitality of regional, minority and immigrant languages.’ Die relatie is niet intrinsiek, en ook niet extrinsiek, die is er, zo simpel en direct, helemaal niet. Wat in dit citaat ook opvalt is dat de Europese minderheids- en streektalen die elders al op sterven na dood verklaard zijn hier juist blaken van vitaliteit. Toch nog eens navragen.

De verklaring van Oegstgeest behelst een pleidooi voor de versterking van de positie van achtergestelde talen, vooral in het onderwijs en de media, alweer zonder enige empirische verwijzing of theoretische fundering behalve de al aangehaalde claus over culturele diversiteit, die heel aanvechtbaar is. Verder beroept de verklaring zich op een hele reeks directieven, conventies en manifesten. Die voegen aan het sociolinguïstisch gehalte niets toe.

Het aanbod van talen in het onderwijs, stipuleert artikel 7, moet gebaseerd zijn op de demografische samenstelling en de gebleken voorkeur van ouders en leerlingen. Dat is tenminste vooruitgang ten opzichte van de taalkundige bevoogding waar Ladefoged zich zo aan stootte. De kinderen uit migranten en minderheidsmilieus moeten gepaaid worden door hun kennis van hun thuistaal met een cijfer te waarderen. Dat scheelt weer een schoolvak. Toch denk ik dat ouders en kinderen liever zo goed mogelijk de landstaal leren dan rond te moeten dobberen in het waswater van de moedertaal.

Telkens weer blijken ouders (en kinderen) de voorkeur te geven aan een taal waarvan ze menen dat die optimale kansen biedt op de arbeidsmarkt, boven de minderheidstaal die hun zo goedgunstig door de linguïsten en pedagogen wordt voorgehouden (3). Het spreekt overigens vanzelf dat kinderen die de landstaal niet van huis uit spreken alle mogelijkheden moeten krijgen om die alsnog te leren en dat daarbij rekening gehouden moet worden met de taal die ze thuis hebben meegekregen. Daaraan schort het maar al te vaak in arme of autoritaire landen, waardoor – ten onrechte – weerstand gewekt wordt tegen het beginsel van onderwijs in de landstaal.

In een recent Manifest over Meertaligheid (Manifest, 2002) wordt voorgesteld om alle kinderen al op de basisschool te verplichten om naast Nederlands en Engels nog een derde taal naar keuze te leren. Allochtone leerlingen krijgen de mogelijkheid om de thuistaal als schoolvak te kiezen. De verzwaring van de onderwijslast voor de autochtone kinderen en de relatieve verlichting voor de migrantenkinderen moet de kansenongelijkheid tussen hen verminderen. In twee stukken in de NRC heeft Leo Prick (2002) die voorstellen bestreden Ik kan mij een aantal geldige onderwijskundige argumenten vóór dit voorstel indenken en nog een aantal, minstens even geldig, ertegen. Doorslaggevend is de onbillijkheid: het voorstel belast het leerprogram voor kinderen van inheemse ouders en verlicht het voor de kinderen van immigranten. Dat wekt wrok.

Het kan veel dwazer. De taalpedagoge Ingrid Gogolin stelde op de conferentie Which languages for Europe? (1998) voor om Duitse scholieren verplicht Turks te laten leren. Niet dat ze die taal ooit nodig zouden hebben, maar voor straf omdat ze bij Duitse ouders in Duitsland met het Duits waren opgegroeid.. Inderdaad, er is geen betere manier om Duitse tegen Turkse kinderen op te zetten. Dat was vast niet de bedoeling. Gogolin was alleen even de reële sociale verhoudingen in de klas vergeten, door taalsentiment overweldigd.

In al deze manifesten, verklaringen en resoluties wordt de meertaligheid voorgesteld als een verrijking, als een meerwaarde (die ‘verzilverd’ wordt), en las de noodzakelijke voorwaarde voor een multiculturele samenleving die alweer in zichzelf een waarde vertegenwoordigd. Maar de meertaligheid staat tamelijk los van de multiculturaliteit. Tijdens de Verzuiling bevochten roomse, christelijke, liberale en rode zuilen elkaar in één en dezelfde taal. Toen was Nederland veel multicultureler dan vandaag. Dat lag aan de geloofsverschillen.

Toch is één zinsnede in zo’n manifest (Taalkundig Manifest van 23 juni 2000) mij uit het hart gegrepen: kinderen die thuis een andere taal spreken dan de onderwijstaal moeten in de klas merken dat zij iets anders, iets méér kunnen dan andere kinderen. Dat taalverschil kan juist het uitgangspunt zijn voor aanschouwelijk taalonderwijs. Het sociologisch en pedagogisch probleem blijft dan hoe de impliciete maatschappelijke geringschatting voor afwijkend taalgebruik binnen de klas kan worden omgezet in respect en belangstelling.

Meertaligheid hoeft niet noodzakelijk te leiden tot multiculturaliteit en multiculturaliteit is op zichzelf wenselijk, noch verwerpelijk. Het is een maatschappelijk gegeven. Het zijn de rechten en de vrijheden die de diversiteit van gedachten, gevoelens, levensovertuigingen moeten waarborgen, díe intrinsieke ethische waarden belichamen.
Het taalsentimentalisme vereenzelvigt de taal met de groep, en wil door taalbehoud de groepsbinding bewaren. De machtsverschillen binnen groepen, de prestigeverschillen tussen de registers van éénzelfde taal worden daarbij genegeerd.
Die groepsbindingen kunnen bovendien ook best bewaard blijven als de groepstaal al teloor is gegaan. Je kunt heel goed Breton zijn zonder Bretons, Ier zonder Iers, jood zonder Jiddisch, Fries zonder Fries en katholiek zonder Latijn (4).
Waarom zou een Friezin Fries moeten praten, of Fries moeten doen? Misschien is zij liever punk, of boeddhiste. De taalgemeenschap kan heel beperkend en verstikkend zijn. Lois Kuter (1989, 79) memoreert hoe boerenvrouwen zich afkeerden van het Bretons: “Women, who were affected strongly by the drudgery of farmwork, were the first to seek escape from a Breton identity which they felt chained them to this lifestyle.” Die taalverlating door plattelandsvrouwen is ook elders beschreven. Ook de soldaten die terugkeerden uit de Eerste Wereldoorlog wilden zich losmaken van het Bretons taaleigen, omdat het hen afsneed van kansen in de buitenwereld. Behoud van de taalgemeenschap betekent heel dikwijls ook de voortgezette onderdrukking van vrouwen, kinderen, jongeren, bezitslozen, devianten, dissidenten…

De taalgemeenschap is heel vaak ook geloofsgemeenschap. Misschien is de eigen taal juist in de geloofsbeleving het meest onvervangbaar. Dat geldt nog eens temeer voor de religies van kleine, tamelijk afgezonderde volkeren, wier geloof alleen maar in die eigen taal beleden en beleefd wordt, daarvan niet los te maken is. Maar dezelfden die zich opwerpen als verdedigers van de bedreigde talen, malen niets om de vernietiging van de bijbehorende religies. Integendeel, de verdediger bij uitstek van de kleine, etnische talen is het Summer Institute of Languages (Dallas, Texas), opgezet ter bevordering van de evangelische zending, de christelijke geloofsverkondiging die alle inheemse religieuze praktijken vermorzelt met nietsontziende bekeringsdrang.

Precies dezelfde litanie als over de talen zou over de niet aflatende bedreiging, de opzettelijke bestrijding en de uiteindelijke vernietiging van die kleine religies te reciteren zijn. Exact dezelfde metaforen over het uitsterven der soorten, de teruggang van diversiteit en het definitief verlies van unieke menselijke kennis. Maar niemand weet hoeveel van zulke geloven er bestonden, hoeveel er nog worden aangehangen, wat daarin verkondigd wordt, hoe ze van elkaar te onderscheiden zijn en hoeveel er nu op verdwijnen staan. Dat spreekt het bevindelijk gemoed blijkbaar minder aan, dat werkt de taalkundigen niet zo op het sentiment. Daar worden geen resoluties of manifesten voor uitgevaardigd. Daar is geen subsidie voor te halen. Want dat gaat in tegen de triomfmars van Islam en Christenheid.

Identiteiten staan niet vast, ze zijn veelvuldig en veranderlijk, ze worden voorgedaan, gemaakt, uitgedragen, voorgewend, verborgen, en dat telkens in de omgang met andere mensen die al evenzeer bezig zijn met hun presentatie. De meeste mensen identificeren zich nu weer eens met één aspect van hun leven, dan weer met een ander. Talen zijn daar maar één aspect van, niet eens het belangrijkste.

Omgekeerd, markeren talen de identiteit van de mensen die ze spreken. Taalgebruik werkt als een identiteitsbewijs. De taal is een insigne van eigen identiteit. Maar dat is niet de enige functie. Talen zijn er ook voor de communicatie. Hier valt die term voor de eerste keer. Dat komt omdat het taalsentimentalisme de communicatieve functies van de taal negeert. Hoe meer talen hoe beter. Al die talen moeten allemaal ook volledig bewerktuigd en volstrekt gelijkberechtigd worden. Hoe dan in zo’n samenleving nog een publieke discussie kan worden gevoerd komt daarbij niet aan de orde. Veel taalsentimentalisten verzetten zich zelfs tegen de invoering van één enkele taal als medium voor de openbare gedachtewisseling. Om aan de babelse verwarring te ontkomen willen zij dat iedereen dan maar veel talen leert, liefst heel veel, drie, vier, vijf… Maar de gave waar taalkundigen zich graag op laten voorstaan is niet iedere medemens gegund.
‘Hoe meer talen hoe beter’ is de leuze. Maar die veelheid van talen heeft precies het tegengestelde resultaat: Hoe meer talen, hoe meer Engels. In de algemene spraakverwarring waarin niet één taal de boventoon kan voeren, dient het Engels zich aan als de enige, als de vanzelfsprekende uitkomst. Zo gaat het in India en in Zuid-Afrika, in Nigeria en in de Europese Unie. Die hegemonie van het Engels wordt nog bespoedigd en versterkt door de bevordering van een verscheidenheid van talen, zoals ook de Europese Commissie zich ten doel stelt.

Het zou kunnen lijken dat het Engels de grote glottofaag, de onverzadigbare taalverslinder is. De verbreiding van het Engels is dan niets minder dan de zuiverste vorm van taalimperialisme, van ‘linguistic imperalism’ (Phillipson, 1992). In feite is het onwaarschijnlijk dat de confrontatie met het Engels, of met enig andere wereldtaal, de voornaamste oorzaak is van het afsterven van kleine talen. De meeste en de meest kwetsbare talen worden gesproken door kleine volkeren, vaak jagers en verzamelaars, die in het contact met sedentaire buurvolkeren de minderen zijn. In die ongelijke machtsverhoudingen nemen zij de taal van de naburige machtige, agrarische samenleving over en geven hun eigen taal op. Ze komen aan het Engels, of het Arabisch of het Frans niet eens toe (Dimmendaal, 1989; Batibo, 1992; Rottland & Okombo, 1992).

Allicht dat iemand bij zich zelf denkt: dat hele taaldebat is niet meer dan Spielerei onder vakgenoten. Maar zo is het niet. Integendeel. De recente Zuid Afrikaanse taalwetgeving is ingegeven door de taalrechtenbeweging, gesouffleerd door buitenlandse taalsentimentalisten. Elf talen zijn nu met formeel gelijke status in de nieuwe Grondwet erkend. Het Ndebele en het Pede, het Tsonga en het Afrikaans, het Engels en het Soto… allemaal gelijk. Als een afgevaardigde in het parlement verkiest om Tshivenda te spreken in plaats van Engels of Afrikaans als iedereen, dan moet de voorzitster een bode laten zoeken die toevallig uit het Noordoosten komt om de toespraak te vertalen. Niemand spreekt dus Swazi of Tsonga of één van die kleine inheemse talen bij een officiële, openbare gelegenheid, behalve als er aan de folklorebel getrokken wordt. Er wordt ook niets aan gedaan om al die talen toe te rusten met leerboeken en grammatica’s en alles wat een modern taaleigen nog meer toekomt. Daar zijn er veel te veel voor, daar is geen geld voor.

Had niemand dat dan kunnen voorzien? De taalsentimentalisten niet, nee. Maar de Zuid-Afrikaanse linguïsten wel. Al in de jaren veertig bepleitte Jacob Nhlapo de consolidatie van overeenkomstige inheemse Zuid-Afrikaanse talen in één enkele taal. De missionarissen die als eersten eenvoudige woordenlijsten en elementaire grammatica’s in hun zendingsgebied hadden opgesteld, met in het achterhoofd ieder de eigen, Europese, landstaal, hadden ongewild de contrasten met belendende zones aangedikt. De streekbewoners lieten zich leiden door een ‘narcissisme van de kleine verschillen’ bij het afzetten van hun taaleigen tegen dat van de buurvolkeren. Traditonele leiders hadden er alle belang bij om die scheidslijnen nog eens te accentueren en ook het Apartheidsregiem kwam die versnippering goed van pas. Neville Alexander (1992), voorzitter van het adviescollege voor taalzaken van het post-Apartheid regime, stelde daarentegen in het voetspoor van Nhlapo een indeling van de Bantutalen in twee groepen voor: Nguni en Sutu. Kwasi Prah (1998) viel hem bij en opperde zelfs om ze allemaal in één taal te integreren. Waarom zou het ANC dan toch de eigen experts en adviseurs zo volkomen genegeerd hebben? Ik denk dat ik het weet.

Hoe meer talen, hoe meer Engels. Het African National Congress bestaat overwegend uit intellectuelen en veteranen uit de bevrijdingsstrijd en de ballingschap die op school of in de actie Engels hebben leren spreken. Engels is ook de meest voor de hand liggende voertaal voor het gehele land en het beste middel om de enige rivaal, het Afrikaans, terug te dringen. En Engels is wat de donkere Zuid-Afrikanen willen leren omdat ze denken dat die taal de beste kansen biedt om vooruit te komen. Daar hebben ze gelijk in.
Zo werkt de list der geschiedenis: de bestrijders van het Engels taalimperialisme, op het toppunt van hun invloed, bewerkstelligden in feite het omgekeerde van wat zij bereiken wilden: door de gelijkstelling van zoveel talen werd de hegemonie van het Engels nog steviger gevestigd. Ieder ander had het kunnen bedenken.
Ieder ander?

In Europa kondigde de Unie het Jaar van de Talen af, in 2001. Zoals bekend fungeren in dat taalkundig rampgebied elf officiële talen, en nog eens tientallen kleine talen. Straks zullen er twintig officiële talen zijn en nog veel meer achtergestelde talen. In het Jaar van de Talen ‘celebreerde’ de Commissie de taalverscheidenheid (die bij zou dragen tot culturele diversiteit, even onmisbaar als de biodiversiteit). Ook de kleine talen moesten gesteund, bevorderd en versterkt worden. De Europeanen moesten talen leren, zo veel mogelijk verschillende talen. Je zou denken dat als die Europeanen allemaal verschillende talen leren, de Ieren Lets, de Cyprioten Hongaars, de Tsjechen Fins,dat ze elkaar dan nog niet kunnen verstaan.

Ik ben in de propaganda van de Commissie deze bedenking niet tegengekomen. De scholieren werden in paginagrote advertenties opgeroepen om Italiaans te leren (‘zo handig als je met vakantie in Toscane de weg wil vragen’), Spaans, Zweeds, of welke taal dan ook. Maar dat is niets anders dan misleiding van de jeugd. Want het is evident dat de taal die jonge mensen in Europa de beste communicatiekansen biedt het Engels is, met in Zuid Europa het Frans en in Oost Europa het Duits als goede alternatieven. De Commissie gaf de scholieren dus welbewust een verkeerd advies.

De scholieren en hun ouders waren wel wijzer. Bijna negentig procent van de scholieren in Europa leert Engels als tweede taal. En gelijk hebben ze. Mensen kiezen binnen een gegeven constellatie de taal die hun de kans biedt met het grootste aantal mensen te communiceren (de prevalentie) èn die het grootste percentage meertaligen telt (de centraliteit). Die taal heeft de grootste Q-value of communicatiewaarde. Dat hebben ze zo niet uitgerekend, maar dat kunnen ze vrij goed inschatten. Zo ongeveer staat het in Woorden van de wereld; het mondiale talenstelsel (De Swaan, 2002). Bij het leren van vreemde talen spelen identiteitsfuncties maar een ondergeschikte rol, tellen de communicatiefuncties het meest. Al moet gezegd worden dat Engels voor adolescenten ook een aantrekkelijke identiteitsmarkering biedt, als teken van een kosmopolitische en leeftijdsgebonden identiteit.

Waarom heeft de Europese Commissie met zoveel vertoon en nadruk een jaar lang Europese jongeren de verkeerde raad gegeven? Omdat zij over het taalprobleem niet praten kan. Alle officiële talen van de Unie zijn sacrosanct, althans in het openbaar en ceremonieel verkeer van de EU en altijd wanneer het om regelingen gaat die de burgers rechtstreeks aangaan. In de binnenkamers van de Europese Commissie wordt Frans gebruikt, steeds minder, en Engels, steeds meer. Engels is de voornaamste Europese verkeerstaal. Net als in Zuid Afrika is het talenprobleem bezig zichzelf op te lossen. Evenmin als in Zuid Afrika kan dat in de Europese Unieopenlijk worden uitgesproken. Hoe meer talen, hoe meer Engels. Het feitelijk effect van de campagne in het Europese Jaar van de Talen was dus precies het omgekeerde van de openlijk beleden doelstelling.

Het taalsentimentalisme is zoals alle sentimentalisme in de kern onwaarachtig. De Europese Commissie is niet bij machte de talenkwestie in de Europese Unie aan de orde te stellen. Dan zou immers Frankrijk zijn verworven positie willen handhaven en Duitsland een gelijkwaardige plaats opeisen. Dan kon Spanje niet achterblijven en Italië al evenmin. Dan zou zelfs Nederland voor zijn taalbelangen moeten opkomen. Onder het mom van een grootscheepse campagne die alle talen gelijkelijk aanbeveelt onderneemt de Commissie dus in feite niets. Want het direct effect is voorspelbaar nihil. Door niets te ondernemen draagt de Commissie in feite bij aan de verbreiding van het Engels als enige uitweg uit de spraakverwarring.

Dit Europese talenbeleid, of liever non-beleid, is de sociolinguïsten en de behoeders van de kleine talen, de streektalen en de migrantentalen zeer welgezind. Zo ongeveer de enige tastbare uitkomst van de Europese bemoeienis is een permanent circuit van conferenties over de bedreigde en achtergestelde talen van Europa waarmee de vakmensen en activisten bezig gehouden worden. De vakmensen hebben nog een ander belang bij dat Europees beleid van taalverscheidenheid: het verschaft werkgelegenheid aan taaldocenten en taalexperts. Daarmee zijn de veronderstellingen waar dat beleid op steunt nog niet weerlegd. Dat hoeft ook niet, want die zijn er niet. Het Europese talenbeleid steunt net als de taalrechtenbeweging op metaforen en op sentiment. Kleine talen, dat zijn toch zeker net bedreigde diersoorten, wat zielig. En wij maken het ons maar makkelijk met de landstaal en, ook nog eens met het Engels. Wat erg.
Kurt Baschwitz (1951) spreekt in zijn Denkend mensch en menigte uit de jaren veertig van ‘de macht van de verlammende idee’: dat is een gedachte die op het eerste gezicht wel iets aannemelijks heeft, maar die bij nader inzien ongefundeerd blijkt en die toch uit vage angst- en schuldgevoelens onweersproken blijft. Dat geldt ook voor de neiging om steeds weer taalverscheidenheid te propageren waar een gezamenlijke verkeerstaal onontbeerlijk is. Dat streven laat zich maar moeilijk weerstreven. Wie wil immers dat zo iets kostbaars als een mensentaal wordt opgegeven en verdwijnt? Wie wil dat de overstelpende verscheidenheid van talen en culturen verpietert en verschraalt? Wie wil zijn medemensen pressen om één en dezelfde taal te leren, al is het dan om wille van de onderlinge verstaanbaarheid? Wie voelt zich niet vagelijk ongemakkelijk over de westerse hegemonie? En is niet het Engels bij uitstek de drager van globalisering, imperialisme, kapitalisme, consumentisme, commercialisering en ‘what have you’? Nou dan.

Er is alle reden om talen die op het punt staan opgegeven te worden zo goed mogelijk te beschrijven en vast te leggen. Daar kan niet genoeg aan gedaan worden. Hoe mensen die leven in kleine taalgemeenschappen zich moeten handhaven in hun wijdere omgeving laat zich niet bij voorbaat en in het algemeen voorschrijven. De taalkeuze is maar één aspect van hun probleem. Zijzelf willen vaak de taal leren die hun de beste kansen verschaft op de arbeidsmarkt. Er is alle reden ze daarin te steunen. Vaak ook verwaarlozen ze de taal die ze van huis uit hebben meegekregen. Het is allereerst nodig om beter te begrijpen hoe dat komt. Misschien zijn ze te overtuigen dat die thuistaal toch waard is om behouden te blijven.

Fishman (2001, 452) verklaart dat zijn programma voor het keren van de taalverschuiving (Reversing Language Shift) gericht is op “the recovery, recreation and retention of a complete way of life, including linguistic as well as non-linguistic features.” En David Crystal (2000, 154) stelt met nadruk: “only a community can save an endangered language.” Beide auteurs bieden een weldoordachte en uitgewerkte verdediging van dit streven naar taalbehoud. Maar in de meeste van zulke gemeenschappen in overgang, waar taal en cultuur opgegeven dreigen te worden, is die doelstelling zelf al omstreden.Heel vaak dienen zich ook voorstanders aan van assimilatie en integratie in de omringende samenleving, die bereid zijn om de dominante taal over te nemen en zelfs om de gemeenschapstaal op te geven. Waar de omstandigheden van elke specifieke gemeenschap zozeer uiteenlopen, dient zich geen goede reden aan om op voorhand al de ene of de andere partij in deze interne discussie te steunen.
Waar de taal in gevaar is, is de taalgemeenschap als zodanig bedreigd. Telkens weer doet zich aan de mensen die van die groepering deel uitmaken het dilemma voor tussen assimilatie aan de omringende samenleving enerzijds, en eigenheid in isolement anderzijds. Assimilatie biedt vaak individueel voordeel op een termijn van jaren, maar op een termijn van decennia dreigt een collectief verlies: doordat de taal niet meer begrepen wordt is de gemeenschapscultuur niet langer toegankelijk. Tegenover individuele winst op korte termijn staat op lange termijn de ondergang van een collectief cultureel kapitaal, het gemeenschappelijk erfgoed. Dit is een klassiek dilemma van collectieve actie. Daarmee dient zich ook een passend theoretisch kader aan voor de analyse van die bedreigde taalgemeenschappen (5). Dat perspectief heeft ook normatieve betekenis. De betrokkenen staan voor een dilemma dat anderen niet zomaar voor hen kunnen oplossen, ook taalgeleerden of sociologen niet. Daar past geen prediking of hoog vermaan, daar hoort alleen verheldering van de dynamiek van het dilemma.

Noten en literatuur