NRC 7 december 1985

Een kunstrecensent moet net als elke dagbladverslaggever zijn lezers vertellen wat hij gehoord heeft en gezien. De criticus kan bovendien een oordeel formuleren en dat met argumenten staven zo goed en kwaad als het gaat. Dat is nog zo eenvoudig niet, want ook de criticus maakt vrienden en vijanden in zijn kring en raakt allicht voooringenomen. Een bevooroordeelde rechter kan door de beklaagde gewraakt worden, maar tegen een gecorrumpeerde criticus is geen verweer mogelijk. Daar helpt alleen nog kritiek op de kritiek.

Een week of twee geleden gaf het Concertgebouworkest de wereldpremière van de eerste scène uit een nieuwe Nederlandse opera, Symposion van Peter Schat op een libretto van Gerrit Komrij. Die opera is nog lang niet klaar en dit was dus een voorproeve.

Held van de opera is Tsjaikovsky en de beginscène speelt op een perron vanwaar de componist vertrekt naar een première. Peter Schat had een spectaculair gedaver gearrangeerd van een trein die kwam en van een trein die vertrok met een machtig accelerando.
Komrij had daarbij een episode bedacht waarin Tsjaikovsky om zich gewichtig te maken tegenover de stationschef zich uitgeeft voor een hofmaarschalk: maar de stationschef, die zelf ook Tsjaikovsky blijkt te heten, barst uit in een lofzang op zijn naamgenoot, de alombeminde toondichter van het Russische volk: Peter Tsjaikovsky die zich uitgeeft voor een prins beseft blijkbaar zijn eigen glorie niet. Ik vond dat tragisch en ook komisch, een sketch in een scène.
Symposion is een compositie over een componist en dus een eig entijds muzikaal commentaar op de negentiende-eeuwse muziek.
Schat heeft zich al eerder afgezet tegen allerlei actuele trends en een eigen harmonieleer ontwikkeld. Dat is aan de partituur te horen en het is interessant genoeg voor nadere toelichting.

Daar moet de volgende dag in de krant toch iets over te lezen zijn en ja, Hans Heg, de muziekcriticus van De Volkskrant was er geweest en wijdde er een lang artikel aan.

Hij noemt die voorpremière al in de aanhef 'een slimme uitwijkmanoeuvre van Schat, die na zijn problemen met de Nederlandse Omroep- en Operastichting (over een gestrande tv-opname van zijn strip-opera Aap verslaat de knekelgeest) en zijn niet door iedereen in dank afgenomen acties op het bouwterrein van het Amsterdamse Muziektheater een opdracht van Gerard Mortier wist los te peuteren.'

Sorry voor het citaat, zo schrijft Heg nu eenmaal. En wat veel erger is, zo denkt hij blijkbaar ook. Een componist die ook volgens Heg in eigen land wordt tegengewerkt en die zich door zijn protest tegen dat monstrum op het Waterlooplein buiten het gunstencircuit geplaatst heeft, krijgt in een buurland een opdracht van een beroemd gezelschap: is dat een 'slimme uitwijkmanoeuvre'?
Het lijkt toch meer op een erkenning in het buitenland van een componist die zich hier vijanden heeft gemaakt omdat hij tegen de bouw van die kolos geprotesteerd heeft. Want, daarover is geen misverstand, die Stopera wordt monsterlijk.

Heg schrijft: 'een opdracht losgepeuterd', beeldend taalgebruik, ik moet het erkennen: het suggereert enerzijds tegenzin bij de broodheer, anderzijdss sluwheid van de jengelende artiest. Zou dat nu echt zo gegaan zijn? Heg licht het niet nader toe.
En dat is allemaal alleen nog maar de aanhef. Tot een bespreking komt het nooit, al wordt die schijn nonchalant gewekt: 'Het neoromantische idioom dat Schat de laatste jaren hanteert, op basis van zijn 'patent' dat als de Toonklok te boek staat, levert natuurlijk wel toegankelijke muziek op.' Alweer zo'n zin waar niets aan deugt, die niets beweert en toch zoveel insinueert.
Dat 'patent' is een vondst van Schat waarop hij uiteraard juist geen octrooi heeft aangevraagd, want een vernieuwend kunstenaar wil navolging, en Schat heeft met De Toonklok (Meulenhoff, 1984) een heel nieuw toonstelsel bedacht, niets minder. Ik kan de bruikbaarheid daarvan voor het componeren niet beoordelen, Peter Schat voelt zich er blijkaar wel bij en ik herken er in elk geval een fraai en afgerond mathematisch systeem in.

Van een recensent verwacht je dan dat hij vertelt of dat nieuwe toonstelsel Schats muziek ten goede komt of niet, of dat het misschien wel helemaal niets uitmaakt. Heg kijkt wel uit: 'het levert natuurlijk wel toegankelijke muziek op.' Een systeem dat zomaar, 'natuurlijk' nog wel, toegankelijke muziek oplevert, dat is toch potverdorie geniaal! - Tut tut, dat staat nog te bezien:
‘Maar ik krijg niet de indruk dat de muziekliefhebbers daar met spanning op zitten te wachten. De eerste uitvoering trok tenminste maar een handjevol bezoekers...'

Wat is er nu weer niet goed aan deze passage? De recensent durft niet met een eigen oordeel aan te komen, maar hanteert als maatstaf de luisterdichtheid. Hij heeft wel een wrok, maar geen oordeel, zoveel beseft hij zelf ook wel, kijk maar naar de slotzin: 'Daarom schort ik mijn definitieve oordeel nog maar even op, want misschien zet Symposium straks Brussel wel op zijn kop.' En dan zal Heg staande applaudisseren tot om hem heen het eindelijk begint stil te vallen.
Hans Heg heeft in de muziek vast wel relaties, maar kunst en kunstenaars moet hij haten. Dat kan een criticus overkomen, en dat is dan een tragisch beroepsongeval. Heg is er arbeidsongeschikt van geworden en De Volkskrant laat hem nu maar in haar eigen kolommen afvloeien. Daar mag hij tekeer gaan wat hij wil, Heg, dat boze feetje.