Politiek in de Verenigde Staten is wezenlijk profaan, in Europa in oorsprong heilig. Ik bedoel dat in Europa de gemeenschap ooit geloofsgemeenschap was, de staat een dienaresse Gods en dus was de politiek er meer dan mensenwerk. Toen kerk en staat uiteengingen, behield de staat toch iets van de bovennatuurlijke glans die de kerk erop had afgestraald. Niet zo in Amerika. Daar is de gemeenschap nog binnen vijf generaties mensenheugenis ontstaan en dus is er weinig plaats voor gezagsmystiek, weinig ruimte voor een staat met bovenmenselijke pretenties. In Amerika regelt ieder zijn eigen zaken en de staat regelt er de zaken van alleman. Dat is althans de bedoeling. Daarmee is de politiek profaan, de politicus een publieke zakenman, geen staatsman. Dit heeft consequenties: Het bepaalt de stijl van het politieke leven.

De politiek is open. Het is een publieke zaak en dus de zaak van het publiek. Toegankelijk voor velen. En ook: met minder geheimen. Er is geen roeping en geen mysterie en zo weegt elks mening even zwaar en heeft ieders vraag een recht op antwoord. In zijn volstrektheid is dit alles natuurlijk niet waar. Het is een beetje zo, een beetje meer dan ergens anders. Maar bovendien: de Amerikanen in grote meerderheid willen het zo, ze geloven in de profane stijl en dat alleen al maakt de politiek profaan, open en dus ook vulgair en dikwijls corrupt.

De politicus kan zich voor zijn gelijk niet beroepen op een bovenmenselijke macht, maar moet zijn gelijk zien te krijgen door stemmen te werven. Dat gaat vaak ten koste van de goede smaak en van de beginselvastheid. Soms tast het ook de onkreukbaarheid aan. Dat geeft schandaal. En dat valt dan de buitenstaander nog het meest op.

Immers, politiek is hier een zaak als alle andere en een vuil zaakje in de politiek geldt niet als vuiler dan in het zakenleven. Zo is corruptie een gebeuren van alle dag. Het is regel in de beroepssport, in de caféwereld, in het bouwbedrijf. Het is regelmatige uitzondering in regering en parlement. De Amerikanen blijven er koel bij. Eindelijk is na tien jaar procederen Jimmy Hoffa, leider van de grootste vakbond in de Verenigde Staten, opgesloten wegens poging tot omkoping van een jurylid. Dat was nog het minste, maar het kon bewezen worden. Desondanks blijven zijn anderhalf miljoen transportarbeiders hem onverminderd trouw en blijft hij in de cel hun voorzitter. Voor zijn aanhang heeft Hoffa alleen maar pech gehad. Voor het grote publiek is hij één uit velen.

Dezer dagen is senator Thomas Dodd uit het keurige Connecticut halfhartig berispt door zijn collega's omdat hij verkiezingsgelden achterover had gedrukt. Ze waren voor hem persoonlijk bedoeld, wierp hij tegen. Dat zou in Nederland des te erger worden opgenomen: het absolute einde van zijn loopbaan. Niet zo in de Verenigde Staten, waar het volslagen onduidelijk is wanneer financiële steun aan een politicus of ambtenaar moet worden opgevat als een verkiezingscontributie, wanneer als een gift aan hem persoonlijk en wanneer als een omkoopsom. Zelfs president Johnson raakte als senator verwikkeld in het juist afgesloten schandaal rond Bobby Baker, die ook al partijcontributies ten eigen bate had gebruikt. Het komt er eenvoudig op neer dat wat politieke vrienden 'steun aan een geestverwant' noemen, voor de politieke vijanden 'omkoperij' heet. Een corrupt politicus is er dus een met meer vijanden dan vrienden.

Dat gaat goed op voor de zwarte afgevaardigde van Harlem, Adam Clayton Powell, die zijn vrouw en zijn vriendin op regeringskosten als secretaresses had ingehuurd, maar zich persoonlijk zelden in Washington vertoonde. De afgevaardigden slikken dat heel best van hun collega's en nog het makkelijkst van zichzelf, maar Powell is zwart en had dus de zuidelijke afgevaardigden tegen zich. Door zijn tegenstanders tot het uiterste op te sarren, bereikte Powell dat hij uit het Huis gestoten werd. Waarschijnlijk een ongrondwettig besluit, zeker een hoogst onverstandige maatregel. Want nu bezorgden Powells politieke vijanden hem twintig miljoen onafscheidelijke politieke vrienden: Amerika's negers, voor wie Powell niet corrupt is, maar allereerst een neger en nu ook nog 'uitgestoten' zoals zij.

In Nederland komt corruptie nagenoeg niet voor. De bestuurders zijn er minzame betweters die zich boven het gewone volk verheven voelen. Maar ze voelen zich als regenten ook te goed om zich te laten omkopen. Daarmee is Nederland althans van één volksziekte vrij: corruptie. In plaats daarvan komt de aanmatiging van de gezagsdragers. De Amerikaanse politici staan nergens boven, maar dan ook niet boven omkoperij.