NRC 19 augustus 1995

Aan Nederland valt weinig eer te behalen. Wie in dit land een hoge post bekleedt of een vermogen heeft verdiend wordt uiteraard beleefd bejegend en geniet binnenskamers allerlei voorrechten, maar hij krijgt niet gauw een standbeeld, een postzegel, een dineetje met de koningin of een particulier museum.

Dat is in de Verenigde Staten wel anders, daar word je ontvangen door de president, of wordt een faculteit, desnoods een hele universiteit, een park, een fontein of concertzaal naar je vernoemd. Maar in de VS bestaan geen ridderordes, alleen militairen krijgen daar een onderscheiding voor betoonde moed, terwijl in Nederland elk knoopsgat van verdienste met een lintje wordt gesierd. Maar dat is dan ook zo ongeveer het enige openbare eerbetoon in dit land.

In de VS zijn bijna alle eerbewijzen voor geld te koop en dat maakt ze een klein beetje minder eervol. Universitaire titels kun je aanschaffen bij obscure universiteitjes en met heel veel geld kun je zelfs aan gerenommeerde instellingen eredoctor worden.

In Nederland is het nog niet mogelijk om met geld een doctorandus titel te verwerven, maar eredoctoraten kun je nu al kopen bij de Namaak Universiteit Nijenrode en als je heel, heel erg veel geld heb kun je die eretitel krijgen bij de Rijksuniversiteit Utrecht. Ik ben daar geen tegenstander van. Zo'n eredoctoraat is alleen maar voor de sier en het is beter dat de rijken hun geld aan de universiteit schenken dan dat ze het verspillen aan luxe jachten en wufte genoegens (want daar zouden wij dan nog weer jaloerser op worden).

Nu er zoveel verdiend wordt zijn er ook allerlei privileges te koop die vroeger niet voor geld beschikbaar waren: tegen voldoende betaling mag je in een aparte foyer bij toneelvoorstellingen, in de pauze van het galaconcert een praatje maken met de solisten, na sluitingstijd door een museum wandelen met een glas champagne in de hand, of een weekend doorbrengen bij de proefdieren in het ontleedkundig lab. Ook daar heb ik niets op tegen: rijke en machtige mensen moeten gunstig gestemd worden, met pluimstrijkerij, gevlei en sycofantie, want als ze narrig worden dan verplaatsen ze hun fabrieken en kantoren naar het buitenland waar de lonen nóg lager zijn, minderen wèl hun plaats kennen en de stroopkwast genereuzer gehanteerd wordt. En al die kleine, duur betaalde gunsten vallen in het niet bij de ostentatieve voorrechten die de rijken voor zich opeisen in een vrije markteconomie of de intimiderende privileges die de machtigen weten af te dwingen in een totalitaire staat.

De hoogste eer wordt in dit land pas bewezen als het te laat is: postuum. Dan verschijnen de rouwadvertenties waarin de overledene met al zijn namen, titels, verdiensten en verworvenheden door de nabestaanden wordt opgezet. Dezer dagen bereikte dat eerbetoon een hoogtepunt bij het overlijden van twee coryfeeën: Meys en Van Aardenne. De bankier Dick Meys stierf in de kracht van zijn leven, op het hoogtepunt van zijn carrière, in de volle dichtheid van zijn maatschappelijke bindingen. In deze krant kwamen 33 overlijdensadvertenties te staan.

Nog geen drie weken later stierf G.M.V. van Aardenne. Twee dagen lang trok een stoet annonces over de familiepagina: 33 in totaal. En al die stellers wilden in het openbaar de overledene eer betuigen. Daar blijkt een vast patroon voor te zijn: Eerst komt de annonce van de naaste familie, dan volgen wat verdere familieleden met een eigen advertentie, indien voorradig melden zich vrouw en kinderen uit een vorig huwelijk, dan verschijnen de kennissen en vrienden. Vervolgens dient zich het bedrijf aan waar de overledene zijn werkkring had en eventueel is dan de beurt aan de collega's. Dat zijn er al vijf of zes advertenties, een gebruikelijk aantal bij mensen die jong sterven en nog volop verwanten, relaties en kennissen hadden. Mijn courante rouw-waarde schat ik op een half dozijn annonces postuum.

Waar kwamen voor Meys en van Aardenne elk die drie dozijn vandaan? Ten eerste van hun commissariaten, en dan van de commissies waar ze in zaten. Meys manifesteerde zich als bankier vooral in de zakenwereld, oud-minister Van Aardenne had functies bij de overheid en in het bedrijfsleven, en allebei bewogen ze zich ook daarbuiten, in de wetenschap, in de gezondheidszorg en in de culturele sector: Meys had te maken met de opleiding van economen en Van Aardenne was actief in het onderzoek naar energie en luchtvaart. Meys deed iets voor het Emma Kinderziekenhuis en zette zich in voor het behoud van orgels, Van Aardenne bemoeide zich met ziekenhuisvoorzieningen en had zich ingespannen voor het Orlando strijkkwartet. Wat van beiden opvalt is niet alleen het aantal maar vooral de grote verscheidenheid van posities die ze bekleedden. Dat is psychologisch te interpreteren als geldingsdrang of het onvermogen om ooit nee te zeggen, of, wat ongeveer hetzelfde is, als plichtsbesef. Maar het is ook nog anders te zien.
De socioloog Mark Granovetter had het over 'de kracht van zwakke schakels': een kringetje waarin iedereen elkaar kent is onderling sterk verbonden; de enkeling die relaties heeft in verschillende kringen legt daartussen een zwakke binding, maar over die kettingbrug komt nu net de meest schaarse en meest waardevolle informatie binnen. Uit de annonces blijkt dat Meys en Van Aardenne bij uitstek zulke verbindingsfiguren waren. En in die besturen en commissies ontmoetten zij op hun beurt andere relatiemakelaars, die hen weer een brug verder konden helpen.
Meestal wordt aan die bemiddeling niet al teveel ruchtbaarheid gegeven. Maar als de ene instantie rouw betuigt kan de andere in eerbetoon niet achterblijven en rijen de annonces zich aaneen. Heel even worden daarmee de maatschappelijke structuren zichtbaar die de overledene bijeen hielp houden.

Het is iets heel persoonlijks om zo sociaal te zijn. Ook in de rouwteksten worden steeds officiële functies gekoppeld aan persoonlijke gevoelens, alsof de stellers nu pas zeggen wat de dode het liefst had willen horen bij zijn leven. Nu het te laat is? Nee hoor, daar werken mensen een leven lang naar toe.