Rede bij de opening academisch jaar, 5 september 2005

De universiteit heeft als hoofdfunctie het vergaren en overdragen van wetenschappelijke kennis. Maar de universiteit heeft doordeweeks ook nog een nevenfunctie: de maatschap-pelijke status van studenten en docenten te verhogen. Het bijproduct van kennisproductie is status. De universiteit biedt studenten sociale stijgingskansen. Een universitaire studie maakt jonge mensen rijker, machtiger en aanzienlijker dan hun leeftijdgenoten zonder academisch diploma. De afgestudeerden zijn dan ook te herkennen aan het keurmerk vóór hun naam, ‘drs’, sinds kort vervangen door het waarmerk ‘Master’ dat met gepaste toevoeging achter de naam komt. Zo’n kwaliteitskeur met bijbehorend certificaat krijgen studenten na een verblijf van een jaar of vijf in de leerbatterij wat vrije uitloop en veel gescharrel.

Studenten worden opgeleid voor de beter betaalde banen, de leidinggevende posities, en de prestigieuze functies. Hun universitaire graad vergroot hun verdiencapaciteit, versterkt hun machtskansen en verhoogt hun sociale status. De doctoraalbul werd op het Sociologisch Instituut vroeger ‘de cheque van een miljoen’ genoemd, in guldens, dat wel. Want zoveel ongeveer verdienen academici méér dan mensen zonder universitair diploma in de veertig jaar van hun te verwachten arbeidsleven. En onder de verhullende noemer van ‘verantwoordelijke functies’ die ‘een beroep doen op hun leiderschapscapaciteiten’ worden de studenten discreet voorbereid op machtsposities in bedrijf en bestuur. Dat zij als academici ook in maatschappelijk aanzien stijgen blijft meestal onvermeld. Want zulk statusonderscheid tussen mensen mag er eigenlijk niet zijn. Over verschillen in status doen mensen heel erg preuts in deze op het oog zo egalitaire samenleving, en al helemaal in het heftig gelijkheidsgezinde universitair milieu.

Sinds vijftig jaar wordt onderzoek gedaan naar het sociaal prestige dat mensen toeschrijven aan allerlei beroepen. Op die ‘beroepsprestigeladder’ staan onveranderlijk academische beroepen bovenaan: chirurg, rechter, hoogleraar… Burgemeester en directeur komen ook hoog uit, maar die functies vergen meestal eveneens een universitair diploma.

Academisch gevormde ouders doen erg hun best om te zorgen dat hun kinderen een universitair diploma behalen. Omdat ze hun zelden een groot geldvermogen kunnen nalaten proberen ze aan de kinderen hun cultureel kapitaal over te dragen en ze de best mogelijke opleiding te bezorgen. In die zin vormen academici een stand die haar posities van generatie op generatie tracht door te geven. Die overdracht van maatschappelijke positie van ouders op kinderen komt de laatste jaren wat minder voor en in die zin is de Nederlandse samenleving er ‘opener’ op geworden.

Niet alleen op de arbeidsmarkt, ook op de huwelijksmarkt werken de standsgevoelens door.Uit de statistiek blijkt telkens weer dat academici een sterke voorkeur hebben voor een gestudeerde partner. Dat volgt niet alleen uit de cijfers, het is ook te zien in contactadvertenties wanneer het om een blijvende verbintenis gaat: meteen na hun leeftijd vermelden de stellers hun opleidingsniveau: ‘ac. niv.,’ of ‘hbo’.

[Er zijn uiteraard nog allerlei andere bronnen van aanzien dan een universitair diploma: rijkdom en macht verschaffen op zichzelf al prestige, net als sportieve successen, artistieke prestaties, een verheven afkomst, roem en vooral mediabekendheid: ‘celebriteit’. Vandaar dat academici vaak een hekel hebben aan mensen die met minder opleiding toch meer verdienen dan zij, of aan mensen die met minder kennis toch beroemder zijn geworden. Maar hoe ze ook aan hun prestige zijn gekomen, aanzienlijke mensen laten zich er altijd op voorstaan dat ze ‘zo gewoon’ gebleven zijn. Iemand die desondanks iets van statusbesef laat blijken maakt zich al gauw volstrekt belachelijk. Met eigen aanzien is het een beetje als met uiterlijk schoon, je moet altijd doen alsof je de enige bent die het van zichzelf niet heeft opgemerkt.]

Aan de universiteit worden statusverschillen toegedekt met nadrukkelijk egalitair vertoon en toch tot in de meest verfijnde nuance onverbiddelijk doorgezet. Neem alleen al de titulatuur, die trapsgewijs omhoogwentelt van het prille B.A. (ooit ‘kandidaat’), naar het onrijpe M.A. (pas nog doctorandus), het alreeds voldragen Dr. of Ph.D.; vervolgens de rijpere rangen, van postdoc, UD, of UHD , tot aan de hoogleraar, gewoon, bijzonder of buitengewoon, die ‘professor’ als titel draagt en zich bij gelegenheid tooit met toga, bef en baret. De universitaire wereld vormt dus een zeer fijn gelaagd bestel.

Het feit dat statusverschil geloochend wordt, betekent niet dat het onderscheid niet wordt gemaakt. Het zou me zeer verbazen als er bij deze plechtige opening van het academisch jaar verhoudingsgewijs evenveel secretaresses, chauffeurs, aio’s, portiers waren uitgenodigd als er professoren, decanen en voorzitters aanwezig zijn. Iedereen weet dat, haast iedereen verzwijgt het kies en vrijwel iedereen doet alsof dat onderscheid niets uitmaakt. Kortom: statusverschil bestaat niet, het doet er niets toe èn het is hoogst verwerpelijk.

Bijzonder aan de tegenwoordige, egalitaire samenleving is niet het bestaan van een sociale rang- en standsordening, maar het gegeven dat dit onderscheid als pijnlijk wordt ervaren, liefst genegeerd en zelfs ontkend. Eerdere generaties zaten er helemaal niet mee en kwamen er graag en openlijk voor uit. De hogeren konden het zich permitteren en de lageren hadden zich er van jongsafaan in geschikt.

Het kan lijken alsof de zeden en de regels in de afgelopen eeuw steeds losser zijn geworden. Maar sommige geboden en verboden worden juist veel strenger gehanteerd. Dat geldt zeker voor de afwijzing van statusgevoelens en van elke vorm van zelfverheffing, van de neiging om zich boven anderen te verheffen, zich de meerdere of de betere te voelen of te tonen en om anderen als minderen of lageren te beschouwen of te behandelen.

Maar net zo min als seksualiteit in het Victoriaanse tijdperk was opgehouden te bestaan omdat er niet over gepraat werd, is statusbesef uit de huidige samenleving verdwenen omdat dat nu onbespreekbaar is.
Het standsverschil kan desondanks verwoord worden in bedekte en indirecte termen. Praat nooit over ‘minderen’, of ‘lageren’, maar contrasteer de eigen goede smaak met de ‘wansmaak’ van anderen, spreek over ons tactvol optreden in schrille tegenstelling tot ‘hun stijlloos gedrag’, stel onze fijnzinnigheid tegenover hun platvloersheid. Dat is wat de cultuursocioloog Pierre Bourdieu onder de noemer ‘distinctie’ bijeenbracht. In termen van smaak, etiquette en gevoelsleven mag het onderscheid tussen hoog en laag wèl gemaakt worden.
Zo worden de standsverschillen afgedekt met de grondverf van de hypocrisie en weggewerkt onder de glansverf van de gelijkheidszin. Dat is een maatschappelijk-neurotisch trekje.

Maar wat heeft dat alles tot gevolg voor de studenten? Dat hangt er uiteraard vanaf of zij met hun inspanningen de status van hun ouders evenaren, of dat ze juist hoger of lager in de maatschappij terecht komen. Dan is er sprake van intergenerationele statusdiscrepantie.

De ‘gesjeesde’ student uit een academisch milieu blijft hier buiten beschouwing. Het gaat om de geslaagde studenten uit een niet-universitair gezin. In veruit de meeste gevallen is de student ingenomen met zijn pas verworven diploma en blij dat zijn vader en moeder zich in zijn welslagen verheugen.

Maar toch moet er iets opgelost worden. Als die universitaire graad zo belangrijk en zo kostbaar is, dan is het gemis ervan dus een tekort en een gebrek. De student heeft zich verheven boven zijn minder ontwikkelde ouders. Dat mag een kind niet denken over zijn vader of zijn moeder en in een egalitaire samenleving mag geen mens zich hoger dan andere mensen wanen.

De oplossingen voor dit klein psychisch probleem zijn legio. Bijvoorbeeld: vader of moeder zouden het zeker even ver gebracht hebben als zij dezelfde kansen gekregen hadden als die het afgestudeerde kind zijn toegevallen. Of: ze waren thuis niet van die studiehoofden, maar… Vul in de gave of de deugd waarin de ouders uitblinken en die de afwezigheid van een diploma ruimschoots goedmaakt. Met dit soort psychisch naaldwerk weten mensen voortdurend de losse endjes van het samenleven vast te breien.

Maar soms is zulk gepunnik niet genoeg. De student raakt in een loyaliteitsconflict. Door het einddiploma te behalen treedt de student voorgoed toe tot een stand boven die van de ouders. Zoiets mag je ze niet aandoen. Erger nog, straks zullen ze zich afkeren van hun omhooggevallen kind, en zal het wellicht de liefde van de ouders verliezen.

Hier belanden we op het terrein van de reine psychologische speculatie en dus wordt het hoog tijd om Sigmund Freud te citeren, die in dit verband gesproken heeft van ‘Scheitern am Erfolg’: de mislukking in het succes. Iemand faalt juist op het moment van het grootste welslagen. Zo iemand komt goed voorbereid op het examen maar kan zich opeens niets meer te binnen brengen, of slaagt met vlag en wimpel maar vervalt prompt in een diepe depressie. Blijkbaar staan zulke persoonlijkheden zich het eigen succes niet toe. De Amsterdamse hoogleraar psychiatrie P. C. Kuiper sprak ooit van een ‘verboden triomf’: iemand mag dan van zichzelf niet zegevieren. Aan het welslagen is kennelijk een geheime tegenslag, een verborgen verlies gekoppeld: de ouders zouden jaloers worden op hun geslaagde kind, ze zouden kunnen denken dat het niet langer hun liefdevolle bescherming nodig heeft en hun handen ervan af trekken. In de irrationaliteit zit een rationele berekening verborgen, maar een die uitgaat van de verkeerde gegevens.

Iedereen kent in zijn omgeving wel zo’n begaafde mislukkeling. De mislukking in het succes is een beroepskwaal van aankomende academici en kunstenaars. Maar zijn deze individuele roerselen ook van toepassing op groepen mensen, op collectieve bewegingen, op generaties?

De jaren van de studentenrevolte vielen samen met een grote toename van de studententallen. Veel van die studenten kwamen uit niet-universitaire milieus. Een hele lichting werd na verloop van tijd bevorderd tot de academische stand. De rebellerende studenten wilden van standsverschil en standsbesef uiteraard helemaal niets weten. Zij streden voor een democratische universiteit binnen een egalitaire samenleving. Zij kozen radicaal partij voor de bezitsloze klasse.

Zou die politieke stellingname iets te maken gehad hebben met een loyaliteitsconflict tegenover de ouders die zij in sociaal aanzien aan het overstijgen waren? Ik vraag maar, want ik weet het niet. De radicale studenten waren arbeideristischer dan de arbeiders. Was dat misschien om hun ouders te laten zien dat ze hen in wezen trouw gebleven waren, dat ze zelfs trouwer waren aan het milieu van herkomst dan hun ouders zelf, die intussen allang waren verburgerlijkt? De studenten schoten door in hun proletarische solidariteit, maar misschien probeerden ze daarmee ook te verhullen dat ze het ouderlijk milieu zouden overstijgen om toe te treden tot de academisch gevormde stand.

De linksisten van toen zouden ons nu veel kunnen vertellen over de verborgen beweegredenen van hun radicalisme toentertijd. Misschien dat zij daarmee iets zouden kunnen verhelderen van de fanatisering die zich nu hier en daar voordoet onder jonge islamieten. Onmiskenbaar zijn die scherpslijpers in hun doorgeslagen rechtzinnigheid meer dan loyaal aan het ouderlijk milieu: ze overtreffen hun eigen ouders in vroomheid en godsvrucht. Hun kan in elk geval niet verweten worden dat ze de eigen herkomst verraden en in camouflagekleuren willen opgaan in de academische stand.

Mensen verklaren is ook mensen kleineren. Mensen motieven toeschrijven die ze van zichzelf niet zouden kennen of erkennen ontneemt hun elke mogelijkheid tot tegenspraak. Maar één constatering blijft overeind: de sociale stijging die veel studenten doormaken kan tot loyaliteitsconflicten met het milieu van herkomst leiden. In veruit de meeste gevallen weten studenten met die tegenstellingen heel goed om te gaan. Soms niet.
Misschien moeten die loyaliteitsconflicten helemaal niet opgelost worden, maar kunnen mensen leren leven met opvattingen en bindingen die onderling strijdig zijn. De hele notie dat men een mens uit één stuk dient te zijn is al totalitair. Je kunt je ouders respecteren en je tegelijk ook voor ze schamen, je kunt het volkomen oneens zijn met hun levenswijze en toch plezier hebben in hun eigenaardigheid. Je kunt in smoking dineren op de sociëteit en thuis met je handen uit de gezamenlijke schotel eten. Je kunt je met overgave in het academisch leven storten en er toch niet helemaal in geloven. Wat een bevrijding.

Een universitaire opleiding voegt aan die gelaagdheid nog weer nieuwe lagen toe. De grote academische disciplines behelzen immers stuk voor stuk ook een eigen wereldbeschouwing. Je kunt in het leven staan als fysicus, psycholoog of medicus, als jurist, bioloog of socioloog. Zo’n wetenschappelijke wereldbeschouwing is niet vrijblijvend en legt eigen verplichtingen op. Daar moet je dan ook weer mee leven. Wat een last. En wat een verrijking.