Omstreeks 1800 woonden er in Amerika vijf miljoen mensen. Het zijn er nu 200 miljoen. Meer dan de helft van de huidige bewoners van Amerika stamt af van Europese immigranten uit de negentiende eeuw. Armoede en onderdrukking dreven in die jaren een steeds zwellende stroom Europeanen naar de VS. Tussen 1810 en 1920 kwamen 28 miljoen mensen het land binnen, bijna allen Europeanen; Duitsers, Ieren en Italianen het meest.

Met de Eerste Wereldoorlog nam deze toevloed echter abrupt af. De Amerikaanse economie raakte in de jaren twintig in een luwte en voor de nieuwe werkers was weinig plaats. De in Amerika altijd aanwezige onderstroom van vreemdelingenhaat won aan kracht en er werden immigratiewetten uitgevaardigd die de Aziaten uitsloten en alleen vrij toelieten wie uit Noordwest-Europa kwam: de hoek van blonde haren en blauwe ogen.

De enige periode waarin meer mensen Amerika verlieten dan er binnenkwamen, was die van de jaren 1930 tot 1935. Toch vond in die tijd de aankomst plaats van een groep Europeanen die Amerika meer hebben veranderd dan alle andere immigranten in deze eeuw bij elkaar. Zij waren gering in aantal, maar beslissend door kwaliteit: de Duitse vluchtelingen. Van Albert Einstein tot Thomas Mann werd het talent van de ene cultuur, de Duitse, overgeheveld naar een nieuwe beschaving, de Amerikaanse. Het was een proces dat zich gespreid over tien jaar voltrok, onopgemerkt behalve voor de rechtstreeks betrokkenen. Op elk terrein van wetenschap en kunst brachten de Duitse immigranten nieuw talent. Hele instituten gingen en bloc de oceaan over. De stamgasten van de Berlijnse literaire cafés zagen elkaar terug op Manhattan rond de Vijfentachtigste Straat. Een onmetelijke rijkdom aan universitaire traditie, aan expertise, kennis en aanleg kwam naar Amerika's oostkust.

Rudolf Carnap, logicus, Ludwig von Mises, econoom, Hans Morgenthau, internationaal rechtsgeleerde, Ge-org Grosz, tekenaar, Leo Strauss, filosoof, Mariene Dietrich, actrice, Mies van der Rohe, architect, Alfred Einstein, musicoloog, Erich Fromm, psychiater, Ar-nold Brecht, bestuurskundige, Edward Teller, atoomgeleerde, Karl Deutsch, politicoloog, Oskar Morgenstern, econoom, Hanna Arendt, politicologe. Iedereen kan deze lijst aanvullen met een beroemdheid op het gebied van zijn specialisme. Er is niet één tak van wetenschap waarin niet enkele van deze Duitse Amerikanen aan de top staan. Maar de Duitse immigranten voegden niet alleen meer van hetzelfde toe aan wat Amerika al had in wetenschap en kunsten.

Zij brachten fundamentele vernieuwing. Zij importeerden nieuwe ideeën in de psychiatrie, met name de psychoanalyse. Zij hervormden de sociale wetenschappen tot op de bodem. Twee denkrichtingen vooral werden door de Duitse immigranten in de VS verbreid: psychoanalyse en cultuursociologie. Die twee vakken bezorgden Amerika ook zijn nationale neurosen: de gedurige en pijnlijke zelfbespiegeling van de enkeling in de psychologie en van de maatschappij in de sociologie. Tot op de dag van vandaag domineren Duitse Amerikanen in deze vakken en op de internationale congressen mag dan de officiële voertaal Engels zijn, in de wandelgangen wordt dikwijls Duits gesproken. De immigranten bleven bij voorkeur in het oosten. Nog steeds hoort bij het type van de New Yorkse intellectueel een Duits accent. Aan de oostelijke universiteiten is een groot deel van de hoogleraren uit Duitsland afkomstig. De New School of Social Research, die lange tijd de richting aangaf in het sociale onderzoek, was speciaal opgezet en werd bemand door Duitse geleerden. Het project-Manhattan, het geheime programma voor ontwikkeling van de atoombom, dankt zijn welslagen aan Duitse atoomgeleerden. Het gewetensconflict dat de wereld daar aan heeft over gehouden, is het eerst en het scherpst uitgevochten door diezelfde fysici.

Maar de immigranten brachten meer dan hun kennis. Zij zagen in Amerika een mogelijkheid die in Europa vernietigd leek: democratie. Om dat doel te realiseren, zetten zij hun volledige persoonlijkheid in. De Duitse immigranten hebben Amerika vooral veranderd door hun altijd ontroerende en vaak imponerende toewijding. Het moet mede hun onderhuidse invloed zijn geweest die voorgoed een eind gemaakt heeft aan het Amerikaanse vooruitgangsoptimisme en het daaraan vast-gehaakte vooruitgangsegoïsme: laat ieder maar aan zijn lot over, dan komt alles vanzelf wel terecht, elk ingrijpen is een verstoring. Dat was de traditionele houding van een jong kapitalisme dat alleen triomfen nog geen catastrofe had gekend. De desillusie viel samen met de komst van de Duitse vluchtelingen, die opgegroeid waren in een debat tussen socialisten en conservatieven over sociale ordening en staatsingrijpen.

Uit die achtergrond brachten de immigranten een zin voor sociale rechtvaardigheid mee, een politiek verantwoordelijkheidsgevoel, dramatisch verhevigd door de ineenstorting van de Duitse republiek. De Duitse vluchtelingen verschaften de intellectuelen en literaten in Amerika een nieuw politiek idioom. Daarin nam de wanhoop een grote plaats in, maar belangrijker dan dat was het sociale bewustzijn dat zij aandroegen. De folterende vraag hoe een republiek kan omslaan in een tirannie, hoe te voorkomen in Amerika wat in Duitsland was gebeurd, ging de sociale wetenschappen beheersen. De geestesgesteldheid die daaruit groeide onder de Amerikaanse intelligentsia, roert zich vandaag de dag in de protesten tegen het regeringsbeleid.

Wie nu de geestelijke woestijn ziet die Duitsland sinds hun vertrek geworden is, begrijpt hoeveel de Duitse immigranten Amerika gegeven hebben.