Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, oktober 1999
Vertaling Leonoor Broeder

Stilzwijgend of met zoveel woorden, spookt in de discussie over de politieke cultuur in het Westen nog steeds het angstbeeld van de omslag van democratie naar tirannie, van civilisatie naar barbarij. Dergelijke wendingen hebben zich eerder voorgedaan. Kan dat opnieuw gebeuren, en zo ja, hoe?

Al sinds de Eerste Wereldoorlog staan in dit debat twee visies tegenover elkaar. In de ene worden tirannie en barbarij gezien als het tegendeel van vooruitgang en rationalisering. In de andere worden ze juist opgevat als een hoogtepunt van rationaliteit en moderniteit.

Hoewel deze tegenstellingen simplistisch en eenzijdig zijn, is het moeilijk om ze te negeren. Zowel Norbert Elias als Zygmunt Bauman hebben over de Nazi-genocide geschreven in veel subtieler en genuanceerder termen, maar ze neigen allebei toch tot tegengestelde visies. Het is hier niet de plaats om hun respectievelijke posities uitvoerig te analyseren, te vergelijken en te evalueren. Wèl worden hier de vragen die opgeworpen zijn door Bauman en vele andere auteurs die hem zijn voorgegaan, in verband gebracht met de discussie over de civilisatietheorie zoals die door Norbert Elias en zijn leerlingen ontwikkeld is [1].

In de kern van het civilisatieproces doet zich soms een tegengestelde beweging voor: de staat handhaaft en perfectioneert zijn geweldsmonopolie en blijft de geciviliseerde gedrags- en uitingsvormen in de samenleving bevorderen en beschermen, maar bedrijft tegelijkertijd georganiseerd, massaal en extreem geweld tegen bepaalde categorieën van de eigen burgers. Het paradigmatische geval van zo'n tegengestelde beweging in het beschavingsproces is Nazi-Duitsland, maar overeenkomstige verschijnselen hebben zich ook elders voorgedaan.

Elias zelf en een aantal van zijn studenten hebben bij menige gelegenheid hun sociologische opvattingen over `civilisatie' uiteengezet en nader verklaard. Als dat begrip toch moeilijk te vatten blijft, ligt dat niet alleen aan een gebrek aan helderheid in de argumentatie of aan een schaarste aan empirische verwijzingen maar ook en vooral aan de complexiteit en subtiliteit van het begrip zelf. Elias koos voor een multi-dimensionale en ingewikkelde definitie, die in de loop van een halve eeuw nader is uitgewerkt in een reeks van publicaties [2].

In later jaren gaf Elias de voorkeur aan het meervoud `civilisatieprocessen' om te verwijzen naar de veelzijdige en gelaagde ontwikkeling die hij in West-Europa constateerde. Hij nam Cas Wouters' uitdrukking `informalisering' over om aan te geven hoe een beschavingsproces zich kon ontwikkelen in de richting van minder rigide, dat wil zeggen meer gevarieerde, subtieler en flexibeler omgangsvormen, zoals hij eerder al had aangeduid in zijn `Entwurf zu einer Theorie der Zivilisation' [3]. Hij schreef uitvoerig over het precaire verloop van het civilisatieproces in Duitsland en gaf een hoofdstuk van dat boek zelfs als titel `Der Zusammenbruch der Zivilisation' [4], ofwel `de ineenstorting van de beschaving'.

In de afgelopen jaren heeft een aantal van Elias' leerlingen getracht de draad op te pakken waar Elias hem liggen liet. Fletcher, Goudsblom, Mennell, Szakolczai, Van Krieken, Wacquant, Zwaan en anderen zijn nader ingegaan op begrippen als `decivilisatie' en `deciviliseringsprocessen'.

De beide termen `decivilisatie' en `de ineenstorting van de civilisatie' verwijzen naar constellaties van wijdverbreide en gewelddadige vernietiging die volgen op voorafgaande perioden waarin juist civilisatie de overhand had, met meer ingeperkte omgangswijzen en meer getemperde vormen van zelfsturing. Op zichzelf suggereren de termen al dat iets dat eens bestaan heeft nu aan het verdwijnen is, dat het teloor gaat of vernietigd wordt. Deze betekenis van verlies en verval wordt duidelijk opgeroepen door uitdrukkingen als: `Regression zur Barbarei', `die Verwundbarkeit der Zivilisation', `Zusammenbruch', `Verfall' (expliciet versus `Wachstum'), en `den offenen Rückfall der Nationalsozialisten in die Barbarei'. Al deze uitdrukkingen zijn afkomstig van één enkele pagina (401) uit het opstel waarin Elias rechtstreeks ingaat op de vernietiging van de joden in de Tweede Wereldoorlog [5].

In deze studie begint Elias al met de stelling dat `civilisatie' geen permanente toestand is maar veeleer een precair proces, dat zich zeer wel ook in tegengestelde richting kan ontwikkelen. `Wie war es möglich', zo vraagt hij zich af, `daß Menschen auf eine rationale, ja wissenschaftliche Weise in der besten Manier des 20. Jahrhunderts ein Unternehmen planen und durchführen konnten, das als ein Rückfall in die Roheit und Barbarei früherer Zeiten erscheint (...)? [6].

Elias concludeert dat noch een raison d'état, noch enig oorlogsdoel, noch enige doelstelling in de binnenlandse politiek gediend was met de moord op de Joden, eerder het tegendeel, en dat weliswaar velen van die misdaden profiteerden maar dat het behaalde materieel gewin de enormiteit van die massamoord toch nauwelijks kan verklaren. Met andere woorden, het was een door en door irrationele onderneming die alleen te verklaren is uit de nazi-ideologie zelf.

Maar in dezelfde context noemt Elias uitdrukkelijk een ander aspect: `die Tötung in Gaskammern'. En hij geeft als commentaar: `Verglichen mit Pogromen und anderen, militärischen Verfahren, bedeutete diese neue Vernichtungsform einen Fortschritt der Rationalisierung und Bürokratisierung' [7]. En ongetwijfeld voltrokken de meeste voorafgaande stappen in de vernietiging van de joden, hun registratie, concentratie, deportatie en uitbuiting, zich op een grondig geplande, systematische en bureaucratische manier.

De tweeledige beweging van rationalisering en bureaucratisering enerzijds, en van regressie, ineenstorting en barbarij anderzijds, vormt de kern van Elias' denkbeelden. De meeste uiteenzettingen over de Nazi-genocide en over andere gevallen van massavernietiging volgen het ene of het andere perspectief: òf rationaliteit, bureaucratie en moderniteit, òf barbarij, regressie en ineenstorting. Elias' theoretische werk neigt overwegend naar een interpretatie van de vernietiging van de joden als een `ineenstorting van de civilisatie'. Zo legt hij de nadruk op de zwakte van de Duitse staat, die er niet in geslaagd was de Duitse samenleving te pacificeren en te civiliseren. Daardoor bleef een terugval in de barbarij mogelijk [8].

Een duidelijk voorbeeld van de tegengestelde benadering, waarin de vernietiging van de joden en de genocide in het algemeen juist worden opgevat als het wezen van de moderniteit, is te vinden in de geschriften van Zygmunt Bauman, met name in zijn Modernity and the Holocaust en nog uitgesprokener in zijn Postmodern Ethics: `The modern era has been founded on genocide, and has proceeded through more genocide' [9] .

Overigens geldt zowel voor Elias als voor Bauman dat zij op hun betere momenten allebei de kanten van het nationaal-socialisme onderkennen: orde en barbarij, plan en impuls, organisatie en wildheid. In deze tegenstellingen vervat is de discussie terug te voeren op de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, toen in Europa na een eeuw van relatieve vrede en van wijdverbreid vooruitgangsgeloof voor de grootscheepse, wederzijdse slachting van de loopgravenoorlog op een of andere manier een verklaring gevonden moest worden [10] .

In een kort en lucide betoog is Arpád Szakolczai op deze vragen nader ingegaan. Hij voert aan dat op eerste niveau van verklaring dit impulsief gedrag te beschouwen is als een toegeven aan eigen neigingen, een vermindering van zelfbeheersing, een Ventilsitte zogezegd, van geciviliseerde mensen in een geciviliseerde samenleving. Op een tweede niveau is er sprake van historische `buigpunten', wanneer impulsen en neigingen die voorheen afgeweerd moesten worden, nu aanvaardbaar blijken en zelfs gecultiveerd worden: bijvoorbeeld het winststreven (Weber) of de seksualiteit (Foucault) of, Szakolczai's eigen voorbeeld, de aanvalslust ten tijde van de kruistochten. Hij vervolgt dan:

''There is, however, an even more important third level of explanation. This concerns the conditions under which the civilising process can turn against itself, where the question is no longer simply a paradoxical compromise between the civilising process and its opposite, the impulses set loose by a previous dissolution of order, but where the fundamental mechanisms of the civilising process are effectively, purposefully and explicitly undermined. It is at that level that the totalitarian movements of the twentieth century can be located, with the important caveat that they are very closely related to the previously mentioned inflections of the civilising process, therefore they cannot be fully externalised and exorcised, restricted to the cases of Nazism and Bolshevism'' [11].

Szakolczai lijkt op het punt te staan de tegenstelling tussen moderniteit en barbarij te overstijgen en de dialectiek tussen beide onder woorden te brengen. En inderdaad, het ziet er naar uit dat het civilisatieproces kan worden `ondermijnd' of `omgebogen'. De veronderstelling in Elias' civilisatietheorie luidt dat staatsvorming, dat wil zeggen de monopolisering van geweld (en belastingheffing), in beginsel leidt tot meer geciviliseerde omgangs- en uitdrukkingsvormen, en tot een vermindering van alle vormen van gewelddadig gedrag, inclusief het staatsgeweld. En stilzwijgend wordt daarbij aangenomen dat de staat alle burgers die de wet respecteren min of meer gelijk zal behandelen, met andere woorden dat er een zekere mate van gelijkheid voor de wet bestaat. Maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijze het geval te zijn.

De monopolisering van het geweld door de staat kan resulteren in de omvattende civilisatie van de samenleving, maar in bepaalde gevallen kunnen binnen dat civilisatieproces toch bepaalde categorieën burgers worden uitgesloten van overheidsbescherming, groepen die dan worden blootgesteld aan het volle geweldsarsenaal van de staat. De hele machinerie van het staatsapparaat wordt dan gemobiliseerd om de als doelwit aangewezen groepen te vervolgen en te vernietigen, en dat des te grondiger omdat het staatsapparaat er in geslaagd is de geweldsmiddelen zo effectief te monopoliseren. Om de vernietiging ook metterdaad te kunnen volvoeren moeten de beoogde slachtoffers eerst geïdentificeerd worden, ze moeten geregistreerd worden en geïsoleerd, en tot mikpunt gemaakt van een voortgezette campagne van belastering en ontmenselijking. Alle andere burgers moet haat en walging worden ingeprent tegen deze onterechte groepering. Dit is wat ik elders het sociale werk van `desidentificatie' heb genoemd, dat samengaat met een campagne die juist de positieve onderlinge identificaties bij de niet-vervolgde burgers moet versterken.[12] In de volgende fase moeten speciale eenheden gerecruteerd en opgeleid worden om de populatie die tot doelwit is gemaakt bijeen te drijven, te isoleren en uiteindelijk te vernietigen. Die opgave vereist dat speciale plaatsen worden afgeschermd van de niet-ingewijden, waar dan het martelen en het moorden ongezien (maar niet ongeweten) voort kan gaan in reservaten van vernietiging. Zo kan zich, zowel in psychologische, als in sociale en ruimtelijke zin, een proces van compartimentalisering voltrekken.

In de rest van de samenleving duurt de pacificatie voort, de grote meerderheid van de burgers behoudt alle bescherming van wet, gewoonte en etiquette. Net zoals het niet in een slager zou opkomen zijn mes buiten de winkel te gebruiken, of voor iets anders dan het snijden van dierlijk vlees, zo denken bewakers en beulen er niet aan iemand aan te vallen die niet tot de gedoodverfde groep hoort, of hun slachtoffers af te tuigen buiten de plaatsen die speciaal daartoe zijn aangewezen. Onmiskenbaar voltrekt zich onder deze omstandigheden een bureaucratisering van barbarij. De meest barbaarse handelingen worden begaan, de ene keer op een berekenende en gedistantieerde manier, de andere keer wild, met hartstocht, lust en overgave. Waar het om gaat is dat het barbarisme zich afspeelt op afgegrensde plaatsen, binnen vastgestelde tijden, scherp gescheiden van de rest van de samenleving, van het alledaagse bestaan van de andere burgers. De barbarij is gecompartimentaliseerd. Deze compartimentalisering werkt rechtstreeks in de categorisering van de doelgroep, in de fysieke isolatie van de vernietiginsgoorden, in de institutionele aanwijzing van de bevoegde uitvoerders, in de censuur van alle informatie en meningsvorming over het onderwerp, in de sociale afgrenzing van het geweld van alle andere vormen van interactie, en wat de daders betreft, in de psychologische scheiding tussen hun specifieke ervaringen en hun overige psychische en sociale leven.

Mark Danner citeert waarnemers van de `Bosnische genocide':

''Western and his colleagues were struck not only by the cruelty of these abuses but by their systematic nature; they very rapidly came to understand that though the Serb soldiers and, especially, the `paramilitary' troops responsible for `mopping up' were committing wildly sadistic acts of brutality under the influence of alcohol, their officers were making rational, systematic use of terror as a method of war. Rather than being a regrettable but unavoidable concomitant of combat, rapes and mass executions and mutilations here served as an essential part of it (...)''. [13]. 

Hier zijn de woestheid en het geweld ontketend, of misschien zelfs opgeroepen, en tegelijkertijd geïnstrumentaliseerd voor specifieke doelen, op bepaalde plaatsen en op afgesproken tijdstippen: een archipel van enclaves waar de wreedheid heerst, maar ook steeds beheerst wordt.

De term `compartimentalisering' verwijst naar een `afweermechanisme', in dit geval een afweer die werkt door de strikte isolatie van bepaalde, uiterst problematische emoties en ervaringen.[14] Maar de notie van afweer (net zoals bijvoorbeeld `repressie') roept onmiddellijk sociale parallellen op, op elk niveau van het sociale leven. Zowel op het individuele als op het groepsniveau werkt deze compartimentalisering door desidentificatie ten opzichte van de aangewezen slachtoffergroep, door het onttrekken van identificatorisch affect, door te ontkennen dat de leden van de doelgroep net zulke mensen zouden kunnen zijn als de andere burgers, door de onderdrukking van identificatiegevoelens, zoals sympathie, medelijden, betrokkenheid, jaloezie, etcetera [15].

Zolang de staat de geweldsuitoefening monopoliseert blijft een hoog niveau van civilisatie bewaard, in bijna alle opzichten en voor de overgrote meerderheid van de bevolking; tegelijkertijd schept en handhaaft datzelfde regime, in zorgvuldige afzondering, op vrijwel ontoegankelijke en nauwelijks noembare lokaties, compartimenten van destructie en barbarisme. Het civilisatieproces wordt als het ware met dezelfde middelen voortgezet, maar het heeft een andere wending genomen: het is, in één woord, een dysciviliseringsproces geworden.

Achter de hekken en muren van deze compartimenten is het civilisatieproces opgeschort; onder nauwkeurig beheerste condities kan zich een decivilisering voltrekken, wordt de barbarij zelfs opzettelijk uitgelokt en bot gevierd op slachtoffers die van alle overheidsbescherming zijn uitgesloten. Als decivilisering op psychologisch en sociaal niveau te beschrijven is als `regressie' (naar een voorafgaande, primitievere, minder coherente fase), dan kan dyscivilisering beschreven worden in termen van `regressie in dienst van de staat' [16].

De civilisatie is niet ineengestort, de sociale orde is niet uiteengevallen, de barbarij heeft zich niet alom verbreid, de decivilisering voltrekt zich op bepaalde tijden, op bepaalde plaatsen. Dat is dyscivilisatie: de totalitaire staat blijft functioneren op een bureaucratische, geplande, `moderne' en zelfs `rationele' manier. Het regime heeft die barbarij gemobiliseerd voor de eigen doeleinden, en die zorgvuldig ingekapseld in speciale compartimenten waar zelfs de woeste destructiedrang, een `lokale' decivilisatie, ingezet is als een functioneel instrument in de staatscampagne tegen de zelfgekozen vijanden.

Compartimentalisering is het sociale arrangement en het psychische defensiemechanisme par excellence in een dysciviliserende samenleving. Om die compartimentalisering te kunnen handhaven zijn starre grenzen vereist en ook zorgvuldig geregisseerde en gefaseerde grensovergangen tussen de verschillende domeinen van beleving en van interactie. Alleen daarom al kan een overgang naar een meer flexibel en gevarieerd repertoire van relationele en emotionele gedragsvormen, zoals Elias die waarnam in het hedendaagse civilisatieproces, niet plaatsvinden waar een proces van dyscivilisatie zich voltrekt. Wat Cas Wouters heeft beschreven als een proces van informalisering [17] is nauw verwant aan wat ik elders heb gekenschetst als een overgang van een relationele en emotionele bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding [18]. Een dergelijke overgang is onverenigbaar met het afweermechanisme van de compartimentalisering. In dysciviliserende samenlevingen zullen zich tamelijk krachtige maar ook nogal rigide typen van sociale beheersing en zelfsturing ontwikkelen. Complexe gedragscodes en uitingsvormen zullen tot in het kleinste detail gehandhaafd worden, maar op het moment dat de drempel naar het compartiment van de barbarij wordt overschreden is alle denkbare wreedheid en razernij toegestaan, totdat dit reservaat weer verlaten wordt en het beheerste gedrag wordt hernomen alsof er nooit iets gebeurd was: dat is gedysciviliseerd gedrag.

De onderzoeker van civiliserings- en dysciviliseringsprocessen zal zich vooral moeten verdiepen in die overgangen, die weerkerende `rites de passage' van `civiel' naar `dysciviel' gedrag. Hoe maakt de bewaker na een dag werk zich op om naar huis te gaan (wassen, kleren verwisselen, alles vergeten, thuis alles verzwijgen; wordt er in het gezin over gelogen, of worden de gebeurtenissen van de dag in levendig en luguber detail verhaald)? Is er een kalender en een dienstrooster of vervalt het personeel van de ene rol in de andere naar het zo uitkomt. Zijn de lokaties verborgen, ontoegankelijk, in afgelegen bossen en vlaktes, verborgen achter muren en hekken, of zichtbaar voor de voorbijgangers, die misschien zelfs ter plaatse mogen komen kijken? Hoe denken de bewakers, de beulen, de folteraars over zichzelf?

We leren ze eigenlijk alleen maar kennen in een defensieve situatie, wanneer ze door hun rechters tot spreken gedwongen worden, maar we weten weinig over ze uit de tijd dat ze in actie waren, in het offensief, en precies het tegenovergestelde moesten laten zien: hun ijver, inzet en geestdrift, hun loyaliteit en hun toewijding aan hun opgave. Maar nogmaals, hoe denken ze tijdens de ene fase over zichzelf in de andere fase: zijn ze dan `een ander mens', `schakelen ze alle gevoel uit', `proberen ze niet te denken', of zijn ze trots en ingenomen met zichzelf in die andere rol? Dat zijn allemaal vragen over de persoonlijke en sociale vormgeving van de compartimentalisering.

De compartimentalisering hoeft zich overigens niet altijd zo extreem te manifesteren, maar kan ook optreden onder betrekkelijk onschuldige omstandigheden. In hedendaagse consumptiemaatschappijen is bijvoorbeeld het slachten evengoed verbannen naar speciale domeinen: niet alleen abattoirs maar ook varkensfokkerijen en kippenfarms zijn aan het oog van het publiek onttrokken en eenmaal uit het zicht, zijn ze ook effectief uit het hart. Op de een of andere manier lukt het de consumenten, wanneer ze van hun vlees genieten, te vergeten dat ze in werkelijkheid een doodgemaakt dier opeten, en zijn ze heel goed in staat de wijze waarop het gefokt en afgemaakt is van zich af te zetten, ook al zijn ze daar feitelijk zeer wel van op de hoogte.

In de meeste maatschappijen is prostitutie effectief afgeschermd van de rest van het sociale leven: er zijn ruimtelijke enclaves, `gedoogzones', `rosse buurten', `gesloten huizen', er zijn scheidingen in tijd (`duisternis', `meisjes van de nacht'), en de prostituees slagen er net als hun klanten meestal in onopgemerkt deze prostitutiereservaten te betreden en weer te verlaten. Soortgelijke opmerkingen zijn te maken over gevangenissen, psychiatrische inrichtingen en die andere favoriete jachtvelden van Michel Foucault.

Het ruimtelijk isolement en de sociale uitsluiting van een bepaalde groepering zijn ook karakteristiek voor de `gettoïsering' van de Amerikaanse binnensteden, zoals Loïc Wacquant die beschreven heeft [19]. Wat zijn gedetailleerde beschrijving nog eens zo interessant maakt, is dat Wacquant expliciet het begrip `decivilisatie' in zijn analyse hanteert: wanneer de staat zich terugtrekt uit de binnensteden krimpen de interdependentieketens, desintegreert de zelfsturing, en gaat de `depacificering' gelijk op met de verbreiding van geweld zonder dat de politie er nog aan te pas komt.

De sociale differentiatie brokkelt af tot er alleen informele economische activiteiten overblijven. En zo door. Eilanden van `decivilisatie' zijn ontstaan midden in een tamelijk geciviliseerde samenleving en zonder dat die samenleving als geheel daar sterk door wordt aangetast. Nogmaals: het is vooral door effectieve compartimentalisering dat deze precaire scheiding tussen `geciviliseerde' en `gedeciviliseerde' domeinen in stand kan blijven. Wacquant legt de nadruk op de desidentificatie die vereist is om de `onderklasse' als een aparte categorie buiten de perken van het normale burgerschap te houden. Buiten deze `ghetto's' gaat het leven voort `als altijd' [20].

Wacquant is speciaal geïnteresseerd in het deciviliseringsproces dat zich afspeelt in de getto's van de binnensteden. Waar het hier om gaat is hoe deze kleine domeinen van decivilisatie effectief worden afgeschermd van de omringende samenleving, uit het bewustzijn worden gesloten, en ontdaan van alle affectieve en morele identificatie. Ongetwijfeld is een dyscivilisatieproces al in aanzet aanwezig. Maar de overgang van bijna dodelijke verwaarlozing naar daadwerkelijke uitroeiing vergt nog wel een reeks vèrgaande ingrepen [21] .

De kern van Elias' ideeën over het civilisatieproces, althans in zijn gevorderde fase, behelst een impliciete veronderstelling van minimale gelijkheid in behandeling en waardering. Zo'n minimum aan gelijkheid impliceert dat mensen zich met alle anderen in hun samenleving identificeren als wezens die min of meer hetzelfde zijn als zijzelf [22] . Het houdt ook een zekere mate van gelijkheid voor de wet in, en zelfs enige overeenkomst in levensstandaard. Wanneer een bepaalde categorie mensen volledig wordt uitgesloten van dit egalitair minimum kan het civiliseringsproces een andere wending nemen en zich langs een ander tracé ontwikkelen. Daar is een radicaal, op algehele vernietiging gericht regime voor nodig, dat dan de omslag naar een dysciviliseringsproces kan voltooien.

De compartimentalisering van een samenleving is onverenigbaar met bepaalde instituties, zoals oppositiepartijen of een vrije pers, of met wettelijke grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting - die immers naar hun aard de grenzen die wezenlijk zijn voor de handhaving van de compartimenten overschrijden en doorkruisen. Tenzij, uiteraard, de beoogde groep uitgesloten is van deze rechten en alle anderen eensgezind negeren wat hun wordt aangedaan, (ongeveer zoals de situatie was in de slavenhoudersmaatschappij in het zuiden van de Verenigde Staten vóór de burgeroorlog).

Zelfs een tamelijk vrijgevige verzorgingsstaat kan in een dysciviliserende samenleving blijven functioneren, maar dan losgeweekt van zijn universalistisch-egalitaristische grondslagen, en met uitsluiting van de beoogde slachtoffers (zoals er ook in Nazi-Duitsland verzorgingsarrangementen bestonden).

Wat in termen van Elias' civilisatietheorie vast aaneen gekoppeld is - de monopolisering van de geweldsmiddelen en de omvattende civilisatie van de samenleving - is in dit betoog geleidelijk uiteen getrokken: waar de geweldsmonopolisering een feit is, kan een omvattende civilisatie van de samenleving zich voltrekken, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Bij de eerste variant hebben we te maken met het `normale' civilisatieproces in de zin van Elias' theorie. In het tweede geval heeft de staat weliswaar de middelen voor de uitoefenen van gewelddadige dwang weten te monopoliseren, maar is de samenleving niet in haar geheel doortrokken van geciviliseerde betrekkingen; bepaalde plaatsen, bepaalde groepen zijn buitengesloten en zijn mikpunt geworden van het volledige destructieve potentieel van de staat: dit tweede tracé duid ik aan als het proces van `dyscivilisering'.

Deze begripsmatige scheiding tussen de monopolisering van het geweld enerzijds en de civilisatie van de samenleving aan de andere kant impliceert nog twee andere mogelijkheden. Beide hebben betrekking op condities van onvolledige of teruglopende geweldsmonopolisering door de staat. Wat de onvolkomen monopolisering van de geweldsmiddelen betreft: omdat nog geen geweldsmonopolie gevestigd is, valt volgens de theorie ook minder geciviliseerd gedrag te verwachten. Wanneer ooit een effectief geweldsmonopolie bestaan heeft, dat in een latere fase is afgekalfd, suggereert de theorie dat menselijke relaties en uitingsvormen zullen regrediëren en dat een proces van `decivilisering' zich binnen de zal voordoen.

Bij de huidige stand van de civilisatietheorie blijft echter een andere mogelijkheid uitgesloten: de mogelijkheid dat de geweldsmonopolisering nog niet voltooid is, of weer teruggevallen is, maar dat desondanks geciviliseerde gedrags- en uitingsvormen in de samenleving prevaleren. Volgens de civilisatietheorie zou dat een `abnormale' toestand zijn. Toch is dit onmiskenbaar de situatie die Bonno Thoden van Velzen beschreven heeft in zijn bekende artikel over de hoge mate van zelfbeheersing die naar zijn mening voorkomt onder de Djoeka of Bosnegers, in een samenleving zonder geweldsmonopolie [23].

Een meer gedegen empirische en historische beschouwing over deze vraagstukken zou moeten ingaan op de mate van geweldsmonopolisering in verschillende samenlevingen [24] en ook op de mate en verbreiding van geciviliseerde gedrags- en uitingswijzen daar. Het ziet ernaar uit dat tamelijk geciviliseerde gedrags- en uitingswijzen heel wel kunnen voorkomen ook daar waar een effectief geweldsmonopolie ontbreekt, en dat omgekeerd een solide geweldsmonopolie kan samengaan met meer geciviliseerde omgangs- en belevingsvormen, maar ook met een heel andere manier van samenleven: daar prevaleert door de ban genomen een zekere mate van civilisatie, maar wordt het staatsgeweld in volle omvang ingezet tegen specifieke categorieën burgers in duidelijk afgegrensde ruimtelijke, temporele, sociale en mentale compartimenten - het traject van de dyscivilisering.

 Schema en noten