Er zijn mensen die zich zo'n beetje dezelfde taak stellen als ik en die dat soms veel beter doen. Frank O'Hara pakt zijn beschrijvingen aan als dichter. Hij deed dat in een druk en verward leven, midden in de New Yorkse kunstenaarswereld als functionaris van het Museum voor Moderne Kunst, als vriend van zo'n beetje iedereen in New York, als een goed vriend en een buitenbeentje. In de gauwigheid van dat leven schreef hij ook nog gedichten, die ik hier niet vertalen zal, maar wil gebruiken om iets duidelijk te maken over New York*:

Op één pas van ze af

Het is mijn lunchpauze en dus ga ik
wat wandelen tussen de zoemkleurige
taxi's. Eerst op het trottoir
waar arbeiders hun vuile
glanzende torso's voeden met sandwiches
en coca-cola, met hun gele helmen nog op.
Die beschermen hen tegen vallende
stenen, denk ik. Dan naar de
avenue waar rokken fladderen
boven hielen en opwaaien boven
roosters. De zon is heet, maar de
taxi's brengen de lucht in beroering. Ik kijk
uit naar horloges op een koopje. Er zijn
katten aan het spelen in het zaagsel. Verder
naar Times Square, waar een reclame
rook blaast over mijn hoofd, en hogerop
de waterval zachtjes neervalt. Een neger
staat in een deur met een
tandestoker op zijn gemak te prutsen.
Een blond danseresje klikt: hij glimlacht
en wrijft zijn kin. Alles i
toetert opeens: het is twintig voor één op
een donderdag.
Neon overdag is een groot genoegen,
zou Edwin Denby schrijven,
en dat zijn lampen overdag ook.
Ik stop voor een broodje kaas in Juliet's
Corner. En moutchocola. Een dame
in vos op zo'n dag zet haar poedel
in een taxi.
Er zijn nogal wat Puerto
Ricanen op de avenue vandaag, dat
maakt het mooi en warm. Eerst stierf
Bunnie, toen Jean Latouche,
toen Jackson Pollock. Maar is de
aarde zo vol, als het leven vol was van hen?
En zo heeft iemand gegeten en loopt
voorbij de blaadjes met naaktfoto's
en de affiches met STIEREGEVECHT en
het Manhattan Opslag Veem
dat ze binnenkort zullen afbreken. Ik
dacht altijd dat ze daar een wapententoonstelling
hielden.
Nog een glas Papaya sap
en weer aan het werk

Hij was een dichter, Frank O'Hara. Met veel plichtsgevoel en een romantische opvatting van zijn taak. Nog aan de poëzie tijdens de middagpauze, maar met veel Amerikaans in zijn regels:

Oploskoffie met lichtelijk zure room
erin en een telefoontje naar het hiernamaals
dat maar niet dichterbij lijkt te komen

Dat soort dingen schreef hij tussendoor op zijn wandelingen tijdens het lunchuurtje, op de demonstratie-machines in een showroom voor kantoorbenodigdheden. Want de kunst was diep in zijn dagelijks leven ingebed. Als museumfunctionaris beschreef hij de verplichte cirkels in de kringen van de Art Gallery Society, zoals Tom Wolfe het noemde. Hij was thuis in de nieuwe kliek van geldgevers en liefhebbers van moderne kunst, gezien, misschien te veel gezien, op de chique openingen met de modieuze, te modieuze mensen. Maar dat was allemaal New York, waarin hij voor zijn vrienden bijna heilig werd. Frank O'Hara zocht zijn beschermelingen onder de ploeterende artiesten en stootte ze op tot welvarende idolen.

Met een hoofd vol kunst liep Frank O'Hara tegen New York op:

Is het smerig
Ziet het er smerig uit
Daar denk je aan in de stad

Ziet dat er even smerig uit
Daar denk je aan in de stad
en toch weiger je niet om adem te halen.

Niet zo'n erg goede dichter, denk ik, Frank O'Hara. Maar toch beter dan een gids van New York die je de weg wijst ergens heen, terwijl het allemaal juist onderweg te zien is. Of misschien - er is zoveel te zien en er gebeurt zoveel - moet je helemaal nergens naar gaan kijken, maar blijven waar je bent en weten dat het er is:

O god, het is geweldig
om op te staan
en teveel koffie te drinken
en teveel sigaretten te roken
en zoveel van je te houden.


Frank O'Hara stierf deze zomer toen hij op een vroege ochtend ergens aan een stil strand lag te zonnen. Gelukkig houdt dit land zijn kusten schoon en een jeep van de stranddienst reed dwars over hem heen. Een Amerikaanse dood.

Achteraf:

De slotregel van 'Op één pas van ze af' heb ik in soevereine
willekeur gekapt; hij luidt:
Mijn hart steekt in mijn
zak, het is Gedichten van Pierre Reverdy.

* De citaten zijn uit de bundel Lunch Poems, San Francisco, City Light Books, 1964