NRC 29 juni 1985

Een moderne toerist verplaatst zich zonder te reizen: waar hij ook gaat, hij is ingebakerd in een kleine capsule van comfort en geruststelling die beschermt tegen alle ongewisheid of verrassing. Het buitenland zoals hij het thuis op het scherm ziet, bekijkt hij nu door het raampje.

Zo zit ik in mijn vliegtuigstoel gegespt met de vertrouwde krant op schoot en de muziek van thuis uit de koptelefoon. Na de landing doe ik honderd stappen, krijg zonder poespas een huurauto en stap in een eigen hokje dat langs net zulke wegen als waar ook ter wereld voortsnelt naar het hotel waar al voor mij gereserveerd is: een kamer die ik honderd keer overal elders ben binnengekomen, met shampo en zeepje aan de wastafel en kleuren-tv op het bureau, het Nieuwe Testament in de la naast het bed en de knoppen van radio-wekker en leeslamp boven het kussen. Ik ga dat steeds prettiger vinden. De folders op het rooktafeltje melden ‘München’ en dat treft, want daar heb ik zaken te doen. 

Het valt allemaal mee. In München is men het oorlogsverleden niet vergeten, maar gedenkt het beschaafd met gepaste schaamte en op gedempte toon. Aan de Deutsche Soldaten- und National-Zeitung in de kiosken zie ik even voorbij, ik kan niet op alles letten. Opgewekt rijd ik de volgende morgen de Dachauerstrasse af, langs de torens van het BMW-hoofdkantoor, naar het Olympia-park waar het mooiste dak van de wereld een doorzichtig tentenkamp vormt dat over honderden meters aan stalen kabels en torens een sportpark van stadions, hallen en zwembaden overwelft. Over de snelweg en voorbij het park verrijst het Olympische dorp waar indertijd de Israelische ploeg nog werd uitgemoord door Palestijnse terroristen. Het bloedbad wordt discreet gememoreerd met een plaquette en de flat van de Israeli's is nooit meer bewoond. Het Olympische dorp is nu een woonwijk geworden: Babylonische terassen met planten overgroeid en lieflijke wandelstraten boven ondergrondse garages en straten. Een glooiend wandelpark strekt zich uit tot het Olympisch terrein, waar van een uitkijktoren het hele nieuwgebouwde landschap te overzien is.

Wat een geld dat allemaal gekost moet hebben. Maar in de late jaren zestig was Duitsland zo rijk dat met een beetje kiezersbedrog en een greintje speculatie het hele gigantische project gefinancierd kon worden. Het tekort van honderden miljoenen marken werd weggewerkt met budgettaire kunstgrepen en München hield er een gloednieuw stadsdeel aan over: woonwijken, sporthallen een stadion en een lustig wandelpark, alles aangelegd op de heuvels die waren opgeworpen bij het ruimen van het oorlogspuin. Dertien jaar later is het allemaal al afbetaald en komen de lopende verliezen per bezoeker uit op één mark, die elders in de stad veelvoudig terugverdiend wordt.

Groots en toch mooi, en ook nog bewoonbaar en bruikbaar en achteraf nog betaalbaar. Zoiets lukt blijkbaar alleen onder druk, in dit geval geprest door de Olympiade en dan nog niet zonder manipulatie.

In mijn eenmanscapsule, omspoeld door de Derde van Beethoven onder de voorkeursknop, teder beademd door de airconditioning, zwaai ik de volgende dag de oprijlaan in van slot Nymphenburg aan de rand van de stad. Ik ben te laat voor het museum maar op tijd voor het park waar in het tanend middaglicht de weinige wandelaars als zetstukken in het landschap oprijzen. Hier een jachtslot en daar een paviljoen dat een Beierse keurvorst voor zijn grillen bouwen liet. Nu weer eens was Versailles het voorbeeld, dan de Engelse hoftuinen, de ene keer was het Chinoiserie en dan weer een bedachte ruïne uit de laat-Romantiek. De Beierse vorsten stonden open voor elke contemporaine stroming in de architectuur.

Wat een geld dat allemaal gekost moet hebben. Niet dat Beieren toen zo rijk was, maar de vorsten wel. In Nederland bestaat zoiets niet; daarvoor werden de Nederlanders niet genoeg uitgebuit. Hadden ze in vroeger eeuwen maar kromgelegen, hun laatste korenschoof ze nog ontroofd door wrede landheren, dan stonden nu in Nederland ook paleizen, strekten vorstelijke tuinen zich uit aan de rand van de stad, spanden triomfbogen over koninklijke allees en steigerden bronzen ruiterbeelden hoog op hun ongenaakbare sokkel.

Het Louvre, Buckingham Palace, de Hermitage en het Kremlin, zelfs de pyramides hadden kunnen verrijzen bij de monding van Maas, Rijn of Amstel als de Hollandse boer maar voldoende geknecht was. In plaats daarvan staat in Amsterdam een stadhuis waar de koningin een logeerkamer heeft, zijn de parken bijeengebedeld onder de stadsburgerij en resten als bezienswaardigheden alleen koopmanshuizen en windmolens die een hoofse samenleving juist beschaamd aan het zicht zou onttrekken.

Wie zou er nu mogen wonen in dat prachtig slot Nymphenburg met zijn tuinen en waterpartijen? De koningen zijn opgedoekt, de presidenten resideren in stalen kolossen, de kunstenaars in woningwet-ateliers. Alleen iemand zo onnozel en nederig als een suppoost of een tuinman heeft een optrekje in een hoek van het paleis. Niemand die er echt eer aan zou beleven en er aanzien aan zou ontlenen wordt zo'n koninklijke behuizing gegund. Iedereen mag erin, maar niemand mag er verblijven. En zoiets groots en hoofs en alleen maar moois wordt helemaal nooit meer gebouwd, want zoveel plezier mag nooit meer een enkel iemand zich aanmatigen. Grootse bouwwerken komen in deze tijd alleen nog tot stand door bedrog: door de leugen van het nut en gegooochel met het budget. Als nu ooit nog iets moois verrijst, lukt het alleen met de post onvoorzien