Ik sta in een danshal. Het is overdag en doordeweeks, de tafels, de bierviltjes en de bar zijn dus misplaatst. Of liever, dat ben ikzelf. Door het raam kijk ik in een achterstraat. Een achterstraat in een achterbuurt die genoemd is naar een aangename Hollandse parkstad: Harlem.

Een rij huizen van vier of vijf verdiepingen, elk met een eigen stenen trap of portiek. Stijl: goed wonen in de jaren twintig. Boven een deur hangt een bord: Temple of Love. Dat klinkt oriëntaals en een beetje ondeugend. Maar het is christelijk bedoeld: de God der Liefde. Vandaar.
Drie mannen komen de treden van een stoep af, negers, en dus met hoeden op, net als joden, gangsters en zakenlieden. Een van de mannen blijft staan, zijn hoofd knikt naar voren en hij verroert zich niet meer. De andere twee besteden geen aandacht meer aan hem. Maar ik zie met mijn pas opgedane kennis: dit is een morfinist, een junkie, en hij is nu in een nod; hij heeft het te pakken, of hét hem. Dit is het enig dragelijke uur in de hel van een heroïneleven. Straks is het spul uitgewerkt en dan begint de marteling weer van voren af aan.

Heroïne. Claude Brown schrijft erover als over 'de Plaag'.* 'In 1959 sloeg de Plaag toe in Harlem.' Brown kan erover schrijven, want hij is zowat de enige van zijn vrienden die het overleefde. Zestien, zeventien jaar oud raakte de hele kliek van straatjongens, vechtersbazen en kruimeldieven aan de heroïne. Binnen een half jaar veranderden ze in uitgeteerde, aangevreten invaliden. De een krepeerde aan een overdosis, de ander stierf in de gevangenis doordat hij plotseling werd drooggelegd, weer een ander werd doodgeschoten door een handelaar die hij wilde beroven toen hij geen geld meer had om het spul te kopen.

Junkies zijn niet meelijwekkend, hoogstens van een heel veilige afstand; ze zijn levensgevaarlijk. Zij moeten elke dag hun dosis hebben, en dus hebben ze tien tot twintig dollar nodig, iedere dag weer. Krijgen ze dat geld niet bij elkaar, dan kunnen ze niet aan heroïne komen. Zonder heroïne gaan ze kapot, ze stikken in de honger, komen om in het verlangen, niet hun begeerte, maar die van hun zenuwen, hun spieren, hun ruggemerg, van heel hun zwerende lichaam, met ontstoken naaldeprikken overdekt. Alles wat verlossing brengt, wat de lijder aan zijn rantsoen helpt, grijpt hij aan. Want wat de verslaafden doormaken als zij van heroïne verstoken blijven, is erger dan wat wie ook ze aan kan doen, erger dan gevangenis of executie. Dus nemen ze de onzinnigste risico's, ze breken in op klaarlichte dag in beveiligde winkels, ze beroven midden op straat een voorbijganger, desnoods alleen om zijn jas en zijn horloge te kunnen belenen voor een prik.

Heroïne heeft de negerjeugd aangevreten en zich in Harlem genesteld als een kanker. Harlem was een gemeenschap, arm en ellendig, maar nog altijd een samenleving van mensen met gezinnen, baantjes en scholen. Heroïnegebruikers waren er altijd geweest, onder de artiesten, prostituée's en de kleine misdadigers. De Plaag brak uit toen in de jaren vijftig de jonge negers verslaafd raakten. Schooljongens van zeventien, achttien jaar probeerden het spul en bleven haken: ze werden van school gestuurd, verloren hun baan, gingen uit stelen, werden opgepakt en na verloop van tijd weer losgelaten. Als de heroïne eenmaal beet heeft, telt niets anders meer voor een junkie.
Hij steelt van zijn vrienden, licht zijn vriendin op, gapt zijn moeders huishoudgeld. Hij valt 's nachts van een dak tijdens een wanhopige rooftocht, wordt bij een overval in de ondergrondse neergeschoten door een agent. Het klinkt als een pathetisch verzinsel, de ergste straf uit Dantes hel. Maar zij bestaat, voor honderdduizenden. Allereerst, uiteraard, altijd weer, voor de armen; voor wie arts en psychiater niet in starthouding klaar staan bij de eerste levensmoeilijkheden; voor wie geen bankrekening de buffer vormt tegen de misère in geval van ziekte of ontslag; voor wie geen carrière te verliezen heeft omdat alle uitzicht toch al verduisterd wordt door een vijandige maatschappij. 

De klinieken zijn al overvol. Wie als genezen wordt ontslagen komt zonder geld, zonder scholing en vervreemd van zijn vrienden de wereld in en kan niets uitrichten. Na de tweede, derde teleurstelling geeft hij zijn pogingen op en begint opnieuw. Maar dit keer pakt hij het beter aan. Als handelaar in diezelfde heroïne. Of als souteneur. Breng een vriendinnetje aan de heroïne en laat haar tippelen. Dat levert genoeg op om de gewoonte te betalen voor allebei. En er staat altijd een clientèle klaar: Mr. Ofay, Mr. Charlie Cracker, the Gray, of hoe de schuldeloze blanke nog meer heten mag voor wie hem van de andere kant bekijkt.

Dit alles is geen nieuws voor de deskundigen en de bestrijders. Zij trachten oprecht met geld, kennis, dwang en overreding een greep op de verslaafden te krijgen en ze ook na genezing een kans op beterschap te geven. Maar wie zich vierkant achter de verslaafden stelt, klinieken, medische begeleiding en werkgelegenheid eist, vraagt te veel geld en begrip van de gemeenschap. Wie zich met de morfinisten bemoeit van een afstand of uit de hoogte, merkt dat al zijn inspanning teniet gedaan wordt door hun ingevreten wantrouwen. De strijd tegen de verslaving wordtgevochtendoor toegewijde medici en sociale werkers. Maar zij krijgen onvoldoende steun van het thuisfront, waar enkele verlichte politici een onwillig en achterdochtig publiek trachten te overreden om genezing te stellen in plaats van vervolging.

Heroïne vreet aan New York. De angst voor de junkies, waaronder veel negers zijn, slaat om in een afkeer van alle negers. Het geroep om streng politieoptreden (alsof junkies met kogels tot rede zijn te brengen) werkt als een vrijbrief voor politiegeweld tegen elke neger die de blanken aanstoot geeft. Zo tast de heroïne de mentaliteit van de politie aan. De integriteit van de opsporingsambtenaren wordt erdoor aangetast: agenten voorzien verklikkers van heroïne in ruil voor aangiften. Detectives accepteren van de handelaren een aandeel in de winst in ruil voor protectie. Verslaving, geweld en corruptie: eerste les in het getto-bestaan. Ik loop door Harlem en controleer de beschrijvingen van mijn voorgangers: de kleine kerkjes met hun bizarre namen, de schilderachtige kroegjes, de kleurrijke etalages. Het is er allemaal, stel ik vast. Maar het pittoreske is eraf. Ik ben op vijandig gebied. Uit een deur komt een man, holt op mij af en slaat zijn hand op mijn arm: 'Zo, lulletje rozewater', zegt hij en loopt lachend terug. Ik loop nog drie straten door en keer om: al die tijd ben ik op één blok afstand gevolgd door een politieauto.

Achteraf:

Is Harlem veilig voor blanke toeristen?
Claude Brown: 'Absoluut, zolang je je maar fatsoenlijk gedraagt en niet rondloopt als een boer in de dierentuin.'
Ja, overdag in de drukke straten, 's nachts rondom de bekende dancings en bioscopen.

* Claude Brown, Manchild in the Promised Land, New York, MacMillan 1965. (Ook als Signet Pocket).