NRC 16 november 1985

Een wereldgemeenschap bestaat nog niet, een wereldbeschaving kondigt zich aan in het recht en de wetenschap, de techniek en de handel, en een vaderlandsloze cultuur heeft zich al over de landen verbreid.
De muziek reist het verst en het snelst, die is klank en zit in de lucht, in de atmosfeer die de aarde omgeeft.

Alle cultuur is overspel en de muziek gaat met iedereen mee. Het is daar vreemd mee gelopen: de Afrikaanse slaven hadden hun klanken en ritmes onthouden en bevrijde zwarten hebben die gekruist met psalmen, Franse hofmuziek en Duitse marsen. Toen is er iets gebeurd wat het geluid van deze tijd veranderd heeft. Dat is sindsdien niet meer opgehouden en vernieuwt zich nog steeds. De jazz is honderd keer verkocht en verraden en weer opgestaan om door te gaan. Het werd blues en swing en rock 'n roll en werd getemd tot popmuziek. Maar zodra een genre gekalmeerd was brak een nieuwe rage los en woedde door. Telkens nieuwe generaties, steeds andere volkeren mochten met de Afro-Amerikaanse muziek ravotten: de Puertoricanen verwekten de salsa, de Jamaocanen de reggae en die muziek danste verder met iedereen.

Zelfs in Nederland kregen een paar jongens de slag te pakken, dat was Doe Maar; voor honderd duizend Hollandse kinderen werd dat de eerste kennismaking met de vaderlandsloze muziek en ze wisten, weer een nieuwe lichting, niet hoe ze het hadden.

Er moeten nu miljoenen jonge Russen en oost-europeanen zijn die de donkere muziek op westerse zenders volgen en verlangen naar buiten. Maar de jazz vergooit zich alweer op een ander continent, in Afrika. Elke week zijn nu de muziekpaleizen uitverkocht, omdat een Afrikaanse band komt spelen. Vijfentwintig jaar geleden kwamen er ook al Afrikaanse gezelschappen naar Neder­land, de vrouwen dansten met ontblote borst en een man sloeg op de trommel. Men vond dat hoogst interessant en zeer authentiek en verder had het nergens mee te maken. De Afrikaanse groepen die nu hierheen komen spelen bastaardmuziek, schaamteloze mengvormen van stamfolklore, Islamitische kerkzang, Amerikaanse broodcommercie en Caraïbische feestmuziek. Geen synthese, welnee een ratjetoe, en het leeft en het laait en het houdt niet op. Dat is de kosmopolitische cultuur, losgebroken uit het stamverband, uit zijn dorpsknel gebarsten.

Zulke muziek komt niet mee op staatsiebezoek en wordt niet per cultureel verdrag bevorderd, ze reist per transistorradio, als verstekeling tussen de reclames. En als ze willen komt die kwaaie, die mooie muziek bij de nette componisten thuis en laat zich door Milhaud en Strawinsky, door Andriessen, Breuker en Schat even goed gebruiken. Want het kan niet op, ze speelt met iedereen en er komt telkens weer iets anders van.

Die wereldcultuur die is er dus al en de Unesco heeft nog niet eens een resolutie aangenomen. In de muziek, maar ook in de dans; dat komt door film en televisie. En opnieuw zijn het donkere vriendjes van de straat die telkens iets nieuws bedenken dat jonge mensen waar dan ook op slag fascineert, dat telkens nagedaan wordt, overgedaan en anders gemaakt. 'Dat komt door de commercie'. Was het maar waar, dat de groothandelaars klanken konden scheppen en beweging verzinnen. Waterdragers zijn ze, zij sjouwen van hot naar her voor de verdienste, maar de bronnen worden gevoed door iets anders, dat donker is en verborgen en onderaards in ongekende verbindingen staat.

Ook de schilderkunst is van oudsher internationaal, maar heeft geen populaire ondergrondse, blijft opgesloten in de salons, de galeries en de musea, in de serails van de goede smaak. Maar in de advertenties en in de tv-clips, en vooral buiten op straat dringt zich een vormentaal op, die over alle grenzen heengaat en die misschien ooit voor zichzelf kan spreken en waarin dan iets nieuws te verbeelden zal zijn.

Gebeurt zoiets nu ook in de literatuur? Nee, of eigenlijk een beetje. In steeds meer landen laten schrijvers van zich horen die vertellen over juist die overgang: van dorpsgemeenschap naar wereldstad, van stamtraditie en ouderlijk geloof naar het vrije, volle stadsbestaan. Zij schrijven in het Engels of worden in die taal bekend. Want ook het Engels is van huis weggelopen en geeft zich aan iedereen die de moeite neemt. Die taal laat zich niet meer regeren door een Academie of een spellingscommissie, maar buigt mee met de zinsbouw en de woordenschat van de sprekers; er is Amerikaans Engels en Australisch, Nigeriaans, Indiaas en Afrikaner Engels, zaken-Engels en mid-Atlantisch en ook de Nederlander doet stijfjes een paar stappen in die wereldtaal. Maar het blijft basic English en iedereen verstaat elkaar, ook de Russische taxichauffeur en de Mexicaanse ijsverkoper. De eenheidstaal van Babylon.

Er is een hoge cultuur, die is internationaal en reist met een kaartje. En er is, al even grenzeloos, een populaire cultuur, die ook wordt uitgezonden, niet door de minister, maar door de transistor. De een leeft van subsidie en donatie, de ander van commercie en sponsor. Tussen die twee is spanning en ook telkens contact. allebei horen ze, net als de wetenschap en de techniek, tot het cosmopolitanisme, waarvoor wie dan ook, waar dan ook, is uitgenodigd.

In dat wereldwijd circuit is Nederland een station. Dat is de functie en de zin van de Nederlandse taal en cultuur, dat je er de wereld mee in en uit kunt stappen. Het nut van een natie is een perron in de wereld te zijn.

Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987
en in: De draagbare De Swaan, Prometheus, 1999