NRC 22 juni 1996 

Een week of wat geleden meldde de Herald Tribune dat de Amerikaanse fysicus Alan Sokal in het tijdschrift Social Text een artikel geplaatst had weten te krijgen dat van kop tot voetnoot in kletspraat was gesteld. De redactie had het in volle ernst gepubliceerd.

Een mooi moment. Niet alleen had Sokal aangetoond dat redacteur Andrew Ross en zijn adviseurs hun eigen onzin niet van andermans wartaal konden onderscheiden, hij had dat bovendien gedaan op beproefd wetenschappelijke wijze: met een veldexperiment.

In dat krantenverslag toont Ross zich enigszins uit het veld geslagen. Hij is blijkbaar niet erg bedreven in zijn eigen genre. Want het voorval laat zich zonder de minste moeite inweven in zijn deconstructivistische wereldbeschouwing, die draait om het leerstuk der intertekstualiteit.

Daar moet ik eerst even een kleinigheid voor uitleggen.
U, lezer, bestaat niet. En ik, schrijver, besta ook niet. Maar dit, deze tekst, bestaat wel. En die gaat door. 
De fysicus Sokal, of beter 'de fysicus Sokal', is een personage in een reeks van teksten over teksten (over teksten (over teksten))... Het interessante is in dit geval dat in de figuur 'Sokal' twee tekstuele genres samenkomen die vrijwel altijd negatief naar elkaar verwijzen en dan ook meestal door verschillende personages worden vertolkt. 'Sokal' heeft als fysicus deel aan het vertoog over de fysica, maar daarnaast vertolkt hij nog een ander vertoog, dat van het deconstructivisme: het vertoog van de antifysica. Zo begrijpt althans de fysica het deconstructivistisch discours. Dat 'Sokal' dit antifysisch vertoog volstrekt overtuigend kan vertolken is geen weerlegging van de geldigheid van dat betoog. Integendeel, het is de best denkbare bevestiging van het deconstructivisme: de tekst zet zich door, ongeacht of de auteur zich een fysicus of een antifysicus, een bedrieger of onthuller waant, of hij bestaat of niet bestaat. Wat in de fysische context van Sokal een parodie was, bleek in de antifysische context van Social Text zuivere ernst: wat hier mystificatie is, dat is daar demystificatie. Pas in een nog andere context, in een ander tijdschrift, en als nieuwsbericht in het kader van een krant, werd dezelfde tekst die een antitekst wilde zijn maar door kon gaan voor een tekst, alsnog tot een antitekst. 

Wacht even! Eén moment. Een alinea die toch was ingezet als een weerlegging loopt hier nu uit op een bevestiging van het deconstructivistisch vertoog. De tekst is weggelopen met de auteur. De tekst is bezig hem op te zuigen in een betoog waar hij nooit aan gewild had. Hoe hij ook tegenstribbelt en spartelt, dat discours zet zich door, door hem, dwars door hem heen, dwars door dit stribbel- en spartelvertoog.
Deze tekst kan alleen nog een andere wending nemen door naar weer andere teksten te gaan verwijzen. 

In de wetenschapsbijlage in deze krant van donderdag brengt Dirk van Delft het Sokal-voorval in verband met de discussie onder Nederlandse wetenschapssociologen. 'Maar weten de sociologen wel waarover zij spreken?' luidt de aanhef. 
Inderdaad worden in dat artikel de onzinnigste opvattingen met verve verwoord, niet door de aanhangers jammer genoeg, maar in de indirecte rede door een bezorgde fysicus, Michael Nauenberg. Deze 'harde natuurwetenschapper' heeft al die gekkigheden zelf gehoord op congressen over 'culturele studies'. Ik was er al bang voor. 
Maar de echte gekken komen helaas niet zelf aan het woord. De sociologen trouwens ook niet, en dat is een gemis. Sprekend opgevoerd wordt daarentegen Stuart Blume, die het Sokal-experiment een misbruik van vertrouwen vindt. Daaruit blijkt al dat hij niet de deconstructivist is die Van Delft moest hebben: hij heeft het nota bene over 'de regels respecteren'. Dat is heel andere tekst dan het vertoog der regelloosheid.

Toch was het de moeite waard geweest Blume wat langer aan het woord te laten, want hij noemt een hele reeks goede redenen waarom onderzoek naar de praktijk van het wetenschappelijk onderzoek van belang kan zijn, en vast ook van nut voor die onderzoekspraktijk zelf.
De fysicus Nauenberg laat in hetzelfde artikel al meteen blijken waarom zulk onderzoek de fysici niet altijd welkom is: 'Het gevolg is dat politici een misvormd beeld krijgen voorgeschoteld, in tijden van bezuinigingen een slechte zaak.' 
Dat klinkt vertrouwd, menselijk, al te menselijk. 
Die natuurkundigen moeten ook subsidies verwerven en proberen eensgezind naar buiten toe een goede indruk te maken. Zou dat mogelijk ook iets te maken kunnen hebben met het soort onderzoek dat wordt verricht, met de manier waarop de resultaten worden gepresenteerd? Gaat het daar misschien net zo toe als bij een toneelgezelschap of op een politiebureau? Is dat niet net iets voor sociologen om eens uit te zoeken?

Natuurlijk worden ontwikkelingen in natuurwetenschap en techniek deels bepaald door maatschappelijke processen. Je hoeft alleen maar te denken aan bewapeningswedloop, ruimtevaart of ecologie. En evenzeer ligt het voor de hand dat in onderzoeksgroepen wedijver, afgunst, bazigheid en kruiperij net zo voorkomen als in elk ander gezelschap en dat die groepsverhoudingen hun gevolgen hebben voor verloop en uitkomst van het onderzoek. Met die sociale verhoudingen op grote en kleine schaal bemoeien zich dus de wetenschapssociologen.

Vanzelfsprekend is het werkelijkheidsbegrip in de natuurkunde problematisch. Dat is het al tweeduizend jaar. En uiteraard matigen filosofen zich het recht aan daarover te spreken. 
Al die onderzoekers van onderzoekers en die denkers over denkers moeten daar vooral mee doorgaan. Of dat de fysici nu aanstaat of niet. De fratsen van de deconstructivisten doen daar niet aan toe en niet aan af, die zijn voor de buitenwacht vooral vermakelijk.