NRC 27 april 1996

Het is alweer bijna een half jaar geleden dat ik in het dienstbelang in Chicago verbleef, de stad van de wind. In het hotel waar ik de nacht doorbracht moest ik ook overdag van de ene zaal naar de ander om sprekers aan te horen. Als de verveling me te machtig werd, droeg ik ook een opmerking bij die dan weer verwaaide in de verveeldheid van de andere toehoorders. Na een dag zat ik alleen nog maar in het café te praten met vakgenoten die toevallig langskwamen, zonder program, agenda of plan. Ik zal er vast iets van opgestoken hebben, maar wat dat dan wel was, is ook alweer weggewaaid uit mijn geheugen. Er was niets dat erop wees dat mij in die stad en niet ver van dat hotel een ongehoorde belevenis wachtte. Ik kan achteraf alleen maar zeggen dat ik eraan toe was. Het was, kan ik nu denken, hoog tijd.

Op de middag van de tweede dag schoof ik wat schuldig het hotel uit en ging kijken in het Art Institute van Chicago waar de schilderijen niet bijeenhangen naar school, land of periode maar elke zaal gewijd is aan de collectie van een weldoener. Zo kom je dezelfde romantici of oude meesters soms in drie verschillende zalen tegen en anderen ontbreken geheel. Langs de verplichte impressionisten, de glas-in-lood-ramen van Chagall, de driehoek van Stella en de grote Boeddha liep ik naar de Afrikaanse collectie. 
Daar op de hoek stond in een vitrine nog steeds het beeld uit het hof van de Ogaga van Ikere in Yorubaland. De koning zit op een troon zo groot dat zijn voeten niet bij de grond komen en buigt zich bezorgd voorover naar twee kleine smekelingen. Achter de troon die tot haar navel reikt, torent de wrekende gestalte van zijn eerste gemalin, haar handen op de leuning alsof zij het is die de koning aan het volk toont en zijn troon voor vallen behoedt. Het beeld is een politiek traktaat dat zich in één blik laat lezen en in die oogopslag de intiemste geheimen van de macht openbaart.

Mijn beeld was er nog en ik wist het weer. Ik had genoeg gezien en liep naar buiten, stak over en kwam langs de Chicago Symphony Hall waar de matinee juist zou beginnen. Mijn hoofd stond er niet echt naar, maar als het programma me beviel, als er nog een kaartje was voor een redelijke plaats en als het niet te duur was, dan kon ik best even binnenlopen en desnoods halverwege weer weg. Er was nog een schappelijke plek, eerste rij midden, tweede balkon. Berio en Shostakovitch stonden op het program en Seymon Bychkov was de dirigent. De zaal was vol oudere mensen, zo te zien van Europese komaf. Donkere gezichten en jonge mensen zie je in Amerika op zo'n concert alleen op het podium.
Ik bleef ook na de pauze toch nog maar even luisteren naar de elfde van Shostakovitch. Ik zat hoog en keek uit over de zaal. Ik had een breed zicht op het podium, in het verlengde van het perspectief waarin de dirigent zijn musici overzag. Het orkest was voltallig uitgerukt, met veel koper, riet en slagwerk dat de zaal tot in elke nis en uithoek aanspeelde.
Ver beneden mij zette de trompettist een solo in. Zijn adem bracht de opgerolde buis in trilling en het was zijn luchtkolom die daar boven hem rechtop in de zaal bleef staan, bevend maar onverzettelijk. Wat wij hoorden was hoe hij langzaam, krachtig en nauwkeurig uitademde. Alle lucht die in de zaal was moest daarin mee.

Nu ik dat zo begon te ondergaan, kon ik ook zien dat de strijkers niet anders waren dan strelers die hun snaren lieten trillen en in opeenstapelende lagen diezelfde lucht in golving brachten. De dirigent kon al niet veel meer doen dan daarop meewaaien. Ook mijn adem was overgenomen door de luchtkolommen en de luchtlagen die met wat strijken en wat blazen in beweging waren gebracht door de kleine figuurtjes ver beneden. Zingen is niet anders dan muziek uitademen, en dit was het omgekeerde, de muziek inademen.

Het leek alsof boven ons een lichte, doorzichtige tent welfde, die oprees en inzonk met de aangeblazen en aangestreken lucht. Daarop nam de zaal die golving over en werd een balg die zich om de trillende lucht sloot, uitdijde en terugdrukte. 
Ik bevond me nu in het binnenste van een geweldige borstkas die door de muziek beademd werd en die weer ieders ademhaling aanblies. Daaruit haalde ook ik mijn diepe adem en daarin moest ik ook weer diep uitzuchten. 
Voor ik het wist was ik hevig en onbeheerst, stemloos en schokkend, aan het snikken. Ik huilde.
Zodra ik dat besefte was het al anders. Ik bette mijn tranen, keek uit mijn ooghoeken naar de oude dametjes aan weerskanten en was niet langer iemand die in de lucht was, maar alweer een concertganger die de ontroering even te machtig was geworden. De oude dametjes knikten instemmend, naast hen was een jongmens, een gevoelsmens, een muziekliefhebber kennelijk diep door de muziek geraakt en ook zijzelf waren daar niet onberoerd door gebleven.

Naarmate men ouder wordt snikt men steeds vaker. En ook steeds meer op het juiste moment. Dus vaker.
Maar ik, ik had zojuist een mystieke ervaring doorgemaakt. Dat wist ik ook pas achteraf. Toen ik er nog in was, was er niets dan adem die in en uit ging. Mijn mystiek was louter fysica: trillingen, frequenties, amplitudes en het gewicht van de lucht. Zoals elke mysticus had ik alleen maar heel even de werkelijkheid beleefd zoals die is: aan mij deed ze zich voor als lucht in golving. Frits Staal heeft ooit over de mystiek geschreven als een volstrekt rationeel onderzoek naar de mogelijke toestanden van het bewustzijn; mij overkwam een zuiver fysieke beleving van de muziek.

Toen ik weer buitenkwam bleef me een lichtheid bij, een hevige opluchting. Er was mij in die muziekzaal een groot verdriet ontvallen. Niet dat ik het nu voor goed kwijt zou zijn, in tegendeel. Ik was ervan bevallen en had het in de wereld gezet, waar ik er voortaan mee leven zou.