NRC 8 juni 1996

Kort na elkaar moest ik een paar dagen in Berlijn en in Parijs zijn. Dat klinkt leuker dan het is. En dan is het nog heel leuk. Maar dan moet het wel meezitten. In Berlijn was juist de lente begonnen en in Parijs brak volkomen onverwacht de zomer uit. Daar worden de mensen onwillekeurig al hartelijker van. En van de ontvangst hangt het af in vreemde steden.

Berlijn verwestert steeds verder en daar vrolijkt de stad flink van op. Waar ooit de muur stond ligt nu een brede strook braak. Daarachter voltrekt zich een campagne die naar omvang en hevigheid alleen te vergelijken is met een volgehouden veldslag. Het Westen, dat Oost-Berlijn niet heeft veroverd maar gekregen, eigent zich dat stadsdeel alsnog toe door het van de grond af aan te herbouwen. Dat gebeurt met groot machtsvertoon van gehelmde manschappen, zwaar materieel op rupsbanden en ratelende boren, met loopgraven en verschansingen, niet voor de destructie maar voor de constructie. En ieder die het ziet begrijpt meteen wie hier voortaan de baas is. 

Het werd de hoogste tijd. Alles in Oost-Berlijn is verrot, verroest, vergaan, verzakt, kortom kapot. Als de muur niet gevallen was, of omvergelopen, dan was de DDR letterlijk ineengezakt, wegens vergaande bouwvalligheid. De communistische autoriteiten deden niet aan onderhoud, dat stond niet in het plan. 
Waarom niet? De mensheid is in te delen in slordige vernieuwers en zorgzame behouders. Nomadische volkeren laten hun gereedschap achter wanneer ze verder trekken. Op de volgende plek vlechten ze opnieuw een hangmat en snijden nieuwe pijlen. Agrarische volkeren zijn zuiniger op hun spullen. Ze besteden meer moeite om die uit schaars hout en zeldzaam ijzer te vervaardigen, en dus ook om ze te onderhouden.
Maar de communisten waren toch zeker geen nomaden? Integendeel, ze dwongen rondtrekkende zigeuners om voorgoed een staatswoning te betrekken. Er moet nog een andere verklaring zijn voor de versloddering. In de communistische wereld had men evenals in de islamitische en de antisemitische wereld een hekel aan rente; en dus ook aan inkomens die ontleend worden aan de beschikbaarstelling van duurzaam en onroerend goed, zoals pacht en huur. In de communistische landen waren de huizen onteigend en behoorden dus eigenlijk niemand meer toe. De huren waren dan ook miniem, te laag om de woningen behoorlijk van te onderhouden. Het grootste deel van het Oost-Berlijnse woningbestand is inmiddels onbewoonbaar, wordt voor een habbekrats verkocht en peperduur gerenoveerd. Met de spoorwegen en het stadsvervoer was het net zo gesteld: je mocht haast voor niets meerijden. Voor onderhoud of afschrijving was dus geen geld en er waren geen belanghebbenden die opkwamen voor de instandhouding van hun eigendom. Nu moeten alle pijlers van de verhoogde S-baan in Oost-Berlijn heel omzichtig vervangen worden, eerst de oude er onderuit en dan een nieuwe erin. In eindeloze rij maakt stil verwijt plaats voor groot gelijk.

Het winnende westen graaft, sloopt en bouwt. Wat een triomf, en wat een triomfalisme. Wat zal daar nu van komen? 
Of het mooi zal worden kan ik niet beoordelen. Maar dat het straks alom mooi gevonden zal worden, weet ik zeker. Want het kan niet anders of in het stadsmidden van Berlijn, aan weerszijden van de oude muur, verrijst de hoofdstad van het verenigd Duitsland, het zwaartepunt van de Europese Unie, het middelpunt van een nieuw Europa, niet langer verdeeld, maar ook nog niet verenigd. Dat machtscentrum herrijst niet uit as en puin, maar wordt gebouwd in volle vredestijd en algemene welvaart. Nooit eerder werd zo'n volledige overwinning behaald zonder ook maar en schot te lossen. 
Nu al bedragen de tekorten van het stadsherstel vele tientallen miljarden mark. Maar wat maakt dat nog uit? Het schatrijke Duitsland zal er niet bankroet aan gaan en de vernieuwde hoofdstad zal er nog grootser op worden. En dus zullen de mensen het mooi vinden, want de rilling van ontzag die zo'n zegepraal bij hen oproept ondergaan ze als een esthetische ontroering.

Er is voor het toekomstige Berlijn een precedent. De stad waarin eerder de overwinningsroes versteend is, dat is Parijs. Het centrum werd gesloopt en weer opgetrokken rond een Arc de Triomphe. Al sinds duizend jaar wordt onafgebroken gewerkt aan een stad die in wezen de staatsmacht in steen is. 
De ouderdom verzacht het wat. De koninklijke paleizen zijn tot musea getemd, de paradeplaatsen zijn wandelgebied geworden. En wat La défense heet is een reeks reusachtige kantoortorens, precies in het verlengde van de Champs Elysées, voor voetgangers nauwelijks toegankelijk.
De macht die van dat grootse plan en van zo'n weidse ruimte afstraalt imponeert, maar intimideert net niet. Vandaar de aangename huivering die het Parijse panorama oproept. Pas op straatniveau, van huis tot huis, waar bewoners, winkeliers en voorbijgangers de aanblik bepalen, heerst een beweeglijkheid en een verscheidenheid die maakt dat bezoekers zich op hun gemak voelen en hun gang kunnen gaan. Maar ze blijven koraaldiertjes binnen een onverbiddelijk rif.

Zo een stad zal Berlijn worden. Maar dan met de middelen en de vormen die horen bij het begin van het derde millennium. De keus om dat mooi te vinden of niet wordt de bezoeker niet gelaten. Hij heeft de victorie van het westen maar te ondergaan zoals die ingebed zal zijn in het stratenplan, in de opeenvolging van musea en monumenten, van hoofdkwartieren en regeringsgebouwen. Er zijn vast wel actiegroepen en rebelse architecten die de schaal klein willen houden, de buurten saamhorig en de gebouwen op mensenmaat. En toch zal de stad in haar geheel een machtsvertoon zijn, één groot gedenkteken voor de macht van staat en kapitaal. De triomf van het westen, van het Duitse westen, dwingt dat af.

Wat de westerlingen bij al hun besognes nog wel eens vergeten, is dat hun zorgen de zorgen zijn van de overwinnaars.