NRC 25 mei 1996

In de 'Z'-bijlage van vorige week stond een groot artikel afgedrukt van George Steiner. Hans Ree veegde het in zijn column van dinsdag al luchtig van de tafel. Maar bij mij is het toch blijven hangen. 'Het einde van de literaire grootspraak' luidde de ondertitel'. Mij leek het juist een hoogtepunt in dat genre.

Elke auteur bouwt een verstandhouding met zijn lezers op. Het leukste van Steiners stuk is de aanhef, waarin hij met een uiterst geleerd citaat aankomt en zich vervolgens excuseert omdat zijn lezers dat natuurlijk allang zullen kennen. Maar vanzelfsprekend heeft geen lezer het ooit onder ogen gehad. Met die overdrijving van het omgekeerde verschaft Steiner zich de ruimte om in de rest van zijn betoog geleerd te kunnen zijn zonder daarmee het publiek van zich te vervreemden. Hij is nu eenmaal een vakidioot die uit obscure Roemeense tijdschriften citeert terwijl de lezers uiteraard wel wat beters te doen hebben. Laat hem nu maar begaan als dwaze geleerde en geniale gek, en lees. Wie weet wat je nog te weten komt.
Na alzo de welwillendheid van zijn publiek te hebben veroverd lanceert Steiner zijn betoog naar een stationaire baan in de ruimte. 'De boodschap is duidelijk. Heeft de literatuur ooit een toekomst gehad? Waarschijnlijk nooit.' Maar mij is die boodschap niet duidelijk. Want wat betekent de vraag? Waarschijnlijk niets.

De literatuur, zegt Steiner, heeft maar een 'heel, heel korte loopbaan gekend.' Van Ambrosius tot het begin van deze eeuw. Dat is dus anderhalf millennium. De meeste lezers zullen dat helemaal niet kort, laat staan 'heel, heel kort' vinden, maar juist heel, heel lang. En van de weeromstuit zullen zij zichzelf kortzichtig vinden in vergelijking met een denkmeester die op zo lange baan schouwt dat duizend jaar voorbij schieten in een oogwenk. Ze worden hier zonder dat ze het zelf in de gaten hebben door de auteur even gekortwiekt.

Steiner vervolgt met de opmerking van Augustinus dat zijn leermeester Ambrosius de eerste was die hij ooit zag lezen zonder zijn lippen te bewegen. Een mooie anekdote, al vaak verteld, zo uit de diepvries de magnetron in; vast heel veelzeggend, maar wat zegt hij eigenlijk? 
Niets minder dan: 'Dit soort persoonlijke, in afzondering beleefde relatie met de tekst, gekenmerkt door herinneren en nogmaals opslaan, door tekst die tekst verwekt, vindt haar einde omstreeks 1914 - bij het begin van de ontwrichting van onze westerse cultuur.'

Bedenk, lezers van Steiner, dat hij u kort tevoren nog eerst als leek had neergezet en u vervolgens uw kleingeestigheid had ingepeperd. Dat zal u niet nog een keer overkomen. U staat al op uw stoel te wieken met uw armen om mee te mogen fladderen in Steiners hoge vlucht. Maar voordat u zich weer bezeert is het goed zijn zin nog eens te herlezen.

Heeft stil, of hardop, of murmelend lezen iets te maken met persoonlijke beleving van het geschrevene? Kun je niet net zo goed in je eentje hardop lezen? Waarom duidt stil lezen op groter afzondering? En houdt het een of het ander eigenlijk wel enig verband met 'herinneren en nogmaals opslaan' van een tekst? Nee, op de keper beschouwd eigenlijk helemaal niets.
Het zijn maar kleinigheden, maar eenmaal opgemerkt wekken ze het wantrouwen, ongeveer zoals een vaasje dat iemand op bezoek bij een kennis op het raamkozijn ziet staan terwijl hij al een week of wat precies zo'n vaasje van de schoorsteenmantel mist.'t Zal vast toeval zijn. Toch maar eens vragen, straks, op een geschikt moment. Leuk vaasje, meneer Steiner.

'Een tekst die tekst verwekt.' Daar zit wat in. Neem nu het artikel van Steiner, dat roept reacties op, dus als het ware verwekt het andere teksten. Maar daarover heeft Steiner het niet. Hij heeft het over stil of hardop lezen en daarbij verwekt de tekst helemaal geen tekst, maar gemurmel dan wel stilte en, mogen we hopen, herinnering. Het lijkt warempel wel een valse munt, maar ach het zijn maar een paar woorden, een nietig bedrag, wat geeft het, zeker vergist bij het uittellen.

Nu wordt het Steiner ernst: De persoonlijke relatie met de tekst, dus eigenlijk de literatuur, 'vindt haar einde omstreeks 1914 - bij het begin van de ontwrichting van onze westerse cultuur.' Het is nog te vroeg in het betoog voor de vuist op de katheder, maar ik schat deze zinsnede toch zeker op een slok water en een proevende blik de zaal in. Heel even heeft de auteur zijn gehoor, en ook zijn lezers, bijna al zijn lezers, in de armen gesloten: 'onze westerse cultuur'. Maar echt gezellig wordt het niet, want die cultuur van ons raakt sinds 1914 steeds verder ontwricht. 

Is alles dat sinds de Eerste Wereldoorlog gemaakt is dan verwrongen en verdraaid, is er nooit meer iets goed in elkaar gezet? Of wat bedoelt Steiner eigenlijk?
Ik denk dat hij niets bedoelt, maar iets wil oproepen, een stemming: Omstreeks 1914? Dat was toch zeker de Eerste Wereldoorlog? Erg, hè. En toen kwam de Tweede, en toen nog de Koude, en nu is het ook al niet pluis. Dus de schrijvers zullen er vast niet beter op geworden zijn. Kun je nagaan. Dinges. Weet je wel. 

Dit zijn nog maar twee alinea's in Steiners opstel. De rest is van hetzelfde laken een pak. Maar wat maakt het uit? Waarom daar zoveel tijd en ruimte aan besteed? Omdat het stuk een schoolvoorbeeld is, van humbug, branie en bluf. In Nederland zijn er niet veel die dat lef evenaren behalve misschien Harry Mulisch wanneer hij eenmaal goed op dreef is in een gelegenheidsrede, maar zijn stijl is beter.

Net als elke kwakzalver lukt de truc van Steiner hem alleen door zijn gehoor een beetje bang te maken: bang om dom te lijken. Dat is de verstandhouding die hij met zijn publiek aanknoopt. 
Maar op welke verstandverhouding met de lezer is dit stuk dan weer gebaseerd?