NRC 12 oktober 1985

Elk voorwerp belichaamt zijn eigen gebruiksaanwijzing. Een zadel is al een instructie om te gaan zitten en een lepel om te happen. Door de vorm, het materiaal en de kleur verwijst het naar overeenkomstige voorwerpen en wil ook ongeveer zo gebruikt worden. Elk ding heeft zijn plaats en parcours temidden van alle andere dingen. De krant wandelt van de brievenbus naar de luie stoel, rust nog wat op de koffietafel en vouwt zich dan boven op een stapel voorgangers om langzaamaan te vergaan tot oud papier, nog steeds bedrukt maar niet meer om te lezen.

Stoelen zijn niet om op te staan (maar krukjes wel), trappen niet om op te zitten (maar bordessen toch), bloemen niet om te eten (behalve artisjokken) en bijna nooit is iets om aan te likken. De lijst klinkt als een reeks ouderlijke vermaningen en kennelijk laten de dingen hun gebruik door grote mensen onderwijzen aan heel kleine mensen.

Bijna alle dingen zijn voor bijna iedereen om van af te blijven. Als iets voor iemand is om aan te komen dan is dat iets van hem of haar en haast alle dingen, mensen incluis, zoeken zich iemand die aan ze zitten wil. Daarom kan de wereld worden ingedeeld in wat van wie is. Heel grote dingen, bossen en stadhuizen, die toch geen mens kan meenemen, zijn niet van iemand maar van iets of van het.

Er zijn ook dingen die het niet schelen kan wie aan ze komt, zij horen tot de dode natuur, en dingen die willen dat iedereen van ze afblijft, die horen tot de levende natuur. Tegenover de natuur staat de cultuur: dat zijn dingen die gemaakt zijn en die juist willen worden aangeraakt: monogame voorwerpen, die dat maar van één mens accepteren en soms polygame voorwerpen, publieke goederen die het van iedereen toelaten. Eén soort cultuurvoorwerpen lijkt op de levende natuur: kunstvoorwerpen willen ook door niemand worden aangeraakt.

Tot zover de algemene dingkunde, die de grondbeginselen behelst van de indeling der dingen in de wereld. Hoe nu elk afzonderlijk voorwerp nader kan worden ingedeeld is het onderwerp van de bijzondere dingkunde, die niet anders is dan de uitwerking van deze beginselen ten behoeve van de dageljkse praktijk, zowel van de beginnende of gevorderde dingenvriend als van de academisch gevormde dingkundige.

Doel van de bijzondere culturele dingkunde is het determineren van door mensen gemaakte voorwerpen, cultuurvoorwerpen dus. In het Omvattend Overzicht van het Culturele Stelsel worden allereerst twee Hoofdafdelingen onderscheiden: die der tastbare (of concrete) goederen en die der ontastbare (of abstracte) zaken. De tastbaarheden worden ingedeeld in de Afdelingen der roerende (mobilia) tegenover onroerende goederen. Een krant, en dus ook dit krantenstuk, is een voorbeeld van een tastbaar roerend goed uit de Klasse der impressa of gedrukte stukken. Verdere indeling naar onderklasse: ephemeren (eendagsproducten, tegenover periodieken, in afleveringen, en permanenten, zoals boeken).

De gedrukte ephemeren worden onderscheiden in twee ordes: Redactie en Advertentie. Dit stuk valt in de redactionele orde onder de familie der essayaceeën 1 tot 100 pp.; vindpl. Los z., in kranten, bijeen in bundels; stijl hypertroof, stempel erudiet, veelal steriel. 'Gemakkelijk te onderscheiden is deze familie niet. Raadpleeg dus altijd, als ge vermoedt een essayacee voor u te hebben, toch de Eerste Lijst.'

Er is geen Eerste Lijst.
Maar de essayaceeën zijn van verwante families te onderscheiden doordat tussen de aanhalingstekens , ".... ", niet iets wordt vermeld dat in diezelfde tekst gezegd wordt, maar iets dat uit een andere tekst komt, zoals het citaat hiervoor ook niet door iemand in deze regels wordt gezegd, maar - ongeveer zo – door Hijmans, Heinsius en Thijsse in hun Flora.

Binnen deze familie hoort dit krantestuk tot het genus algemeen cultureel, en in dat genre komt één hoogst zeldzame soort voor die zelfbestuivend is: het krantestuk over het krantestuk.
Soort zoekt soort. Deze tekst heeft zichzelf volledig gedetermineerd.

Rest de vraag wat van zo'n stuk de gebruiksaanwijzing is en waar die is te vinden. Niet in de tekst en ook niet tussen de regels. De aanwijzingen schuilen in de opmaak en de plaats. Al staat dit er voor de eerste keer, het is geen nieuws, dat staat voor in de krant, voorzien van actualiteitstekens in de koppen en de aanhef. Dit is allemaal niet dringend of van levensbelang, het hoort in een bijlage, een toegift voor de lezer die de actualiteiten al gehad heeft en nu nog wat wil bijleren.

Ernstig en een beetje moeilijk wil dat katern wel zijn, maar het presenteert zich wuft en wervend: versierd met ruime illustraties vol toespelingen voor de goede verstaander; een speelkwartier voor boekenwurmen.
Daar staat dit stuk in. Het is een opstel, geen nieuwsbericht, recensie, reportage. Het zal zeker leerzaam zijn en vast wel interessant. Toch licht van toon, met kleine raadsels, dat blijkt al uit het plaatje. De lezer neemt zich vast voor het bij eerste gelegenheid eens door te nemen en legt het terzijde voor onderhoudender of actueler lectuur. Zo ligt het nog een week op de stapel 'nodig te lezen', in het zicht van de werktafel of de kleurentelevisie en herinnert de nog steeds aanstaande lezer aan zijn goede voornemens, totdat hij van dat stil verwijt genoeg heeft, de krant weggooit en er een nieuw verplicht nummer voor in de plaats legt. Maar wie dat kan bevestigen, heeft dit gemist en wie dit leest heeft het daarmee al weerlegd.