Rede, uitgesproken op het Symposium ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht

Den Haag, 14 november 2002

Het kost enige moed om te spreken op een symposium dat als motto heeft meegekregen: ‘Moed moet’. Eigenlijk had hier een ervaringsdeskundige moeten staan. Daar zijn er in ons land niet zoveel van. Ik heb ook niet de indruk dat ik op die titel gevraagd ben. Als kamergeleerde ben ik meer een schrijftafelheld.
Tien jaar (en één dag) geleden hield ik ook al de jubileumrede voor uw Stichting, die toen dus dertig jaar bestond. Die toespraak ging over ‘De staat van wandaad; over de vervagende grenzen tussen oorlogvoering en misdaadbestrijding’. Zo had deze rede net zo goed kunnen heten. Ik beschreef toen wat er kon gebeuren als staten in ontbinding raakten, zoals toentertijd de Sovjet Unie en Joegoslavië en sindsdien een aantal Afrikaanse staten.

Ondernemers in etnische en militaire zaken zien in zo’n situatie hun kans schoon, rekruteren een handvol bewapende manschappen, brengen een aanhang bijeen op de een of andere etnische noemer, en bedreigen daarmee een andere categorie, die alleen daardoor al hun etnische tegenhanger wordt en die zich – omdat de staatsbescherming is weggevallen - wel gedwongen ziet om de rijen te sluiten en voor zichzelf op te komen, als het moet gewapenderhand. Zo levert de ene groep het bewijs voor het gelijk van de andere, doordat de ene aanvalsdreiging de andere zelfverdediging uitlokt.

Ondertussen belagen die gewapende bendes dorp na dorp, bedreigen de bevolking, verjagen de bewoners, eigenen zich de achtergelaten boedel en de verlaten landerijen toe en verdelen die onder de eigen aanhang als beloning voor de betoonde steun. Zo eenvoudig werkt het. Er is altijd wel een intellectueel te vinden die uitlegt dat die groepen elkaar al eeuwen en eeuwen gehaat hebben, hoe diep de etnische wortels reiken, hoe verscheurend de wederzijdse afkeer is. Wat zich dan voltrekt is een criminalisering van de politiek, met de afschuwelijkste gevolgen voor de bevolking in die streken, met allerlei verwikkelingen voor de buurlanden, maar aanvankelijk zonder veel consequenties buiten de eigen regio.

Op den duur kunnen zulke broeinesten van politieke criminaliteit toch niet ongemoeid gelaten worden: zoveel onrust, zoveel roering kan nooit halt houden bij de grenzen van de Balkan, de Kaukasus, of Centraal-Azië’ schreef ik toen, ik zou er nu Rwanda, Sierra Leone, Ivoorkust of Sri Lanka aan kunnen toevoegen. ‘Elke crisis die kan ontstaan zal ontstaan’. Dat was wat al te somber en wat al te boud.
‘De verliezende partij zal proberen een vreemde mogendheid in het conflict te betrekken, vluchtelingen zullen in steeds grotere getale op de westelijke landen afkomen, waar ze dan geweigerd worden’ De krijgsheren raken betrokken bij drugshandel en wapensmokkel, vervolgde ik. Uiteindelijk moet er wel ingegrepen worden, omdat de beerput overloopt.
‘Ongrijpbaar als ze zijn, nopen de gewapende bendes en milities tot beperkte strafexpedities en reddingsacties: Luchtaanvallen, bliksemacties, humanitaire campagnes, commando-ingrepen en onvoorspelbare interventies zullen het noodzakelijk repertoire vormen voor de westerse krijgsmachten Maar veel belangrijker is dat die westerse mogendheden erin slagen in gemeenschappelijk overleg grenzen te stellen en een beleid te bepalen.’
Ik had gezegd. Het is – in zijn algemeenheid – uitgekomen.

In de meeste van die conflicten gaat het om ‘greed’ en niet om ‘grievance’: het gaat om materiële hebzucht en niet zozeer om ideële grieven, ook al worden die nog zo welsprekend, verbitterd en hardnekkig uitgedragen (1). Een mooie, diepe, historische wrok komt toch nog altijd goed van pas in dit misdadig krijgsbedrijf om de eigen aanhang te mobiliseren en de eigen wandaden goed te praten.

In 1995 raakte Nederland diep betrokken bij de bestrijding van de politieke criminaliteit in het voormalig Joegoslavië. De Nederlandse regering had besloten ‘op eigen initiatief en zonder voorwaarden vooraf’ (2) een Luchtmobiel Bataljon in de enclave Srebrenica te stationeren. Dat is, zoals bekend, slecht afgelopen. Nadat de Nederlandse posities zonder tegenstand door de Bosnisch-servische troepen waren ingenomen werden vele duizenden Bosnische moslims opgepakt, op transport gesteld en vermoord. Op die massamoord was Nederland volstrekt niet voorbereid.
Ik zal op de toedracht niet nader ingaan, daaraan is na jaren van verbitterde discussie een groot onderzoeksrapport gewijd. Een regering is erom afgetreden en nog zal er nu een parlementaire enquête over worden gehouden. Meteen na de val van Srebrenica schreef ik in mijn rubriek op de Opinie-Pagina van de NRC een aflevering onder de titel ‘Zijn wij laf?’. ‘Wij’. Vraagteken. Het is nu bijna zeven en een half jaar later. En ik denk van wel.

Dat heeft zijn redenen. Nederland heeft een weinig krijgshaftig verleden. Daar is wel vaker aan herinnerd. Dit land heeft weinig oorlogen gevochten en er de laatste eeuwen ook niet één gewonnen. De buurlanden zijn groter, sterker, machtiger. Wij zijn eerst België, veel later Indië, en uiteindelijk ook Nieuw Guinea ondanks militaire inspanningen zijn kwijt geraakt. Dat is achteraf maar beter ook. Het Nederlandse leger was niet betrokken bij de Eerste Wereldoorlog en heeft slechts enkele dagen tegenstand geboden in de Tweede. Heel wat Nederlanders, daaronder ook militairen, waren tijdens de Duitse bezetting betrokken bij het verzet, maar gewapende acties waren daarin van ondergeschikt belang.

De zogenaamde ‘Politionele acties’ in het voormalig Nederlands Indië waren in feite het enige, grootscheepse gewapend conflict dat Nederland in drie eeuwen uitgevochten heeft. Het was een – ook aan het thuisfront – zeer omstreden onderneming die uitgelopen is op een volledige mislukking. Zoals Marx schreef (3), ‘de geschiedenis herhaalt zich, de tweede keer als komedie’: dat was het oorlogje om Nieuw Guinea, belachelijk als het niet zo treurig was. Er was een miezerige troost: Nederland was niet de enige koloniale mogendheid die in die jaren vergeefse strijd gevoerd heeft.

In de jaren van de Koude Oorlog functioneerden de Nederlandse strijdkrachten binnen NAVO-verband, onder Amerikaanse leiding. Bij de oorlog in Korea was Nederland marginaal betrokken, bij die in Vietnam helemaal niet. Verder sloot het wankel nucleair bewapeningsevenwicht sloot elk militair avontuur uit en veel gevechtservaring konden de lichtingen die in die tijd moesten aantreden niet opdoen (4).

Ik haal deze overbekende feiten aan, zonder enige hoon of spijt. Allerlei instellingen, zoals de brandweer of het Rode Kruis, kunnen niet afgemeten worden aan de feitelijke prestaties die ze leveren. Ze ontlenen hun nut aan het feit dat ze beschikbaar zijn in geval van nood. De econoom S. Kleerekoper heeft daar eens een geschikte term voor bedacht: ‘beschikbaarheidsnuttigheid’ (5) . Dat geldt ook voor de strijdkrachten: het nut van een krijgsmacht zit niet in wat ze van dag tot dag verricht, maar in haar beschikbaarheid op het moment dat haar inzet noodzakelijk is. Maar op dat moment moet ze dan wel functioneren. In het begin van de jaren negentig begonnen steeds meer Nederlanders de inzet van Nederlandse troepen in het voormalig Joegoslavië nodig te vinden. Er werd daar, in dat vertrouwd vakantieland, op nog geen twee dagreizen hiervandaan, op de allergrofste manier geplunderd, verkracht en gemoord. En dat nog wel omwille van de etnische zuiverheid, zo werd dat er tenminste bijgezegd. Veel mensen vatten de gebeurtenissen ginds op als een herleving van het nationaal socialisme. Dit keer zou het leger kunnen worden ingezet om daar een eind aan te maken. Nederland stond in die strijd niet alleen en de tegenstanders stelden militair niet veel voor. Dat gaf de burger moed, en ook de militair.

Wat er vervolgens is gebeurd wijst vooral op een zorgwekkende naïveteit. Nederland liet zich opschepen met de enclave Srebrenica, waar andere landen zich niet of niet meer aan wilden wagen. De manschappen werden licht bewapend, omdat ze het gezag van de ‘blauwhelmen’ moesten uitstralen en dat gezag, meende men, mocht niet met wapens worden afgedwongen. De mensen die dit bedacht hebben leven in een permanente kinderkamer, in een enclave van geweldloosheid, een oase van pacificatie die zij zelf aanzien voor de grote wereld. Maar de ware, boze wereld is verderop, niet eens véél verder. Die begint al op de Balkan, in Noord Afrika, in het Midden-Oosten. Daar spreekt het gezag uit de loop van een geweer.
Veruit de meeste Nederlanders staan vreemd en afwijzend tegenover alle geweld. Zij leven, al denken ze zelf van niet, in een heel vreedzame samenleving en krijgen hoogst zelden te maken met fysiek, laat staan met gewapend geweld.

Elk jaar vraag ik de eerstejaarsstudenten of ze ooit wel eens een klap gehad hebben en of ze zelf wel eens een tik hebben uitgedeeld. Ieder jaar zijn er onder de tweehonderd studenten vele tientallen die dat nooit van hun leven gedaan of ondergaan hebben. Het is in Nederland blijkbaar gewoon dat jonge volwassenen nooit van hun leven met het minste lichamelijk geweld geconfronteerd zijn. Hun ouders, broers en zusjes, vriendjes, klasgenoten, onderwijzers en zijzelf hebben blijkbaar al die tijd hun handen thuis weten te houden: Een wijd verbreide, onophoudelijke geweldsbeheersing die tweede natuur geworden is, kortom een beschavingsverschijnsel, dat verder in deze wereld heel uitzonderlijk is. Daarmee raakt ook het geringste geweld in de sfeer van het taboe. De Nederlanders die zo nuchter omgaan met seksualiteit en drugsgebruik vervallen wanneer ze met geweld te maken krijgen in een wonderlijke, onwereldse en ondoordachte preutsheid. Per saldo denk ik over vechtpartijen net zo als over vrijpartijen: vecht voorzichtig en met mate. Vrij veilig, vecht veilig.
Veel Nederlanders zijn nu volkomen weerloos tegenover geweld, in eigen kring, op straat en uiteraard bij gewapend conflict. Liefst zouden ze alle gewelddadigheid uitbannen, uit hun bestaan en uit hun bewustzijn. In Srebrenica bleek hoe onvoorbereid ook Nederlandse militairen waren op onverhoeds, misdadig, massaal geweld. Ze waren naïef, en ze wilden de voortekenen van een massacre niet onder ogen zien. Ze wilden geloven dat zoiets niet kon gebeuren: ‘Dat doen ze toch niet.’
Uiteindelijk is in Srebrenica niet de moed betoond waar iedereen dan achteraf trots op had kunnen zijn. De confrontatie met het moorddadig geweld in Srebrenica is voor Nederland een dieptepunt geweest. De nasleep ettert nu al meer dan zeven jaar door.

Het volgende keerpunt kwam nu ruim een jaar geleden, met de aanslagen van de elfde september. Die aanvallen kwamen als een volslagen verrassing en toch waren ze tevoren niet onvoorspelbaar of onvoorstelbaar. Er was al eens eerder een veel kleinere aanslag gepleegd op dezelfde Twin Towers. In films en in de pers was al meermalen het schrikbeeld van een aanslag met vliegtuigen op wolkenkrabbers of kerncentrales opgeroepen. Dat het mogelijk was, dat was bekend. Toch hield ook nu blijkbaar haast niemand serieus rekening met de mogelijkheid dat zoiets ooit echt kon gebeuren.
‘Dat doen ze toch niet’ was de veronderstelling, soms uitgesproken, meestal stilzwijgend. ‘Dat doen ze toch niet’. Maar ze deden het wel.
Achteraf moeten we beseffen dat er tot dan toe met de terroristen in Europa al die tijd een woordenloze, misschien zelfs gedachteloze verstandhouding heeft bestaan om te strijden en te bestrijden, maar met mate. De Zwarte Hand, de IRA, de ETA, de Rote Armee Faktion, de Brigate Rosse, de Molukse kapers, hebben zich toen - begrijpen we nu – al die tijd beperkingen opgelegd. Er werd vaak vooraf gewaarschuwd, of de aanslag kwam op een moment dat weinig mensen in de buurt waren. Die terreurgroepen opereerden binnen – èn tegen - een nationale context, in een verstoorde en verwrongen, maar jarenlang voortdurende dialoog met regering en publieke opinie. Zij hebben niet zoveel verwoest en gemoord als ze gekund hadden. Van de andere kant werden ze bestreden en bestraft met de begrenste middelen van de burgerlijke rechtsstaat.

[Voor die extremistische bendes bestond ook enige sympathie. De rode brigades kregen steun van linkse intellectuelen die in de terroristen verwante anti-fascisten herkenden, weliswaar doorgedraafd en tenslotte dolgedraaid, maar toch nog steeds invoelbaar. Het was voor heel wat van die sympathisanten onmogelijk om zich te ontworstelen aan een verlammende idee (6): de strijd tegen het fascisme gaat alle andere tegenstellingen te boven, deze jonge dwepers bevechten een regiem dat zich geëncanailleerd heeft met het fascisme, ze verdienen dus onze morele of daadwerkelijke steun. Zo’n gevoelsredenering moet ook vele Molukkers geparalyseerd hebben: het Molukse ideaal gaat boven alles, de kapers verzetten zich tegen een overheid die hun tekort gedaan had, je kon ze met goed fatsoen niet laten vallen. De Ierse en Baskische separatisten kregen niet alleen steun van het thuisfront maar ook van hun stamverwanten in het buitenland, vooral de VS: ‘long-distance nationalism’ heeft Benedict Anderson dit verschijnsel genoemd, en hij laat zien hoe dit nationalisme uit de verte, nog steeds gevoed door een nostalgisch sentiment, helemaal los kan raken van de realiteit van het strijdtoneel in het thuisland en zich vereenzelvigt juist met de meest radicale exponenten van de beweging, zonder enige verantwoordelijkheid voor de verre gevolgen in het eigen land van herkomst. Ondanks alles herkennen we deze extremisten in de politiek nu toch als gematigden in de terreur.]

Ook in Nederland, ook nu nog, leven mensen met het gevoel ‘dat doen ze toch niet’: de hogesnelheidstrein laten ontsporen, een zeedijk opblazen, een kerncentrale bombarderen, een vol stadion gijzelen, een benzinetanker laten ontploffen of giftig gas uit opslagtanks laten ontsnappen. Dit zijn nog maar de aanslagen die ieder voor zich bedenken kan. De specialisten in beveiliging en hun tegenhangers, de experts in bedreiging, hebben vast al nieuwe hoofdstukken geschreven in het draaiboek van de ondergang. ‘Dat gebeurt hier niet’. Nee, nog niet.

Het is onmogelijk om permanent paraat te zijn en altijd op het ergste voorbereid. Maar sinds de 11e september valt het gevaar van terroristische aanslagen niet meer te loochenen. Het wordt bestreden, uit alle macht. Daarmee komen westerse samenlevingen voor een nieuwe opgave te staan: De verdediging van hun democratie, van de rechtsstaat en van de internationale rechtsorde. Dat vereist een nieuw soort strijdbaarheid, een weerbare democratie.

Daar is moed voor nodig.
‘Moedig’ is het tegendeel van ‘laf’. Moed is niet het tegendeel van angst of bangelijkheid. Van Napoleon Bonaparte wordt verteld dat hij met een Italiaanse generaal die in deze anecdote naamloos is gebleven vanaf een heuvel het slagveld overzag, waar hevig werd gevochten. Napoleon merkte dat zijn buurman het te kwaad kreeg en zei: ‘Mais vous tremblez, mon général’. Generaal, u beeft. De generaal antwoordde: ‘Sire, als u zo bang was als ik, dan stond u hier niet.’

Moed is de overwinning op de angst, niet de ontkenning ervan. Er zijn heel wat mensen die letterlijk geen angst kennen. Dat is zelfs een wezenstrek van geweldsmisdadigers en psychopaten, die in het algemeen slecht in staat zijn zich de gevolgen van hun daden voor te stellen of zich in te leven in de beleving van andere mensen en die daarom ook geen angst of medelijden kennen (7). Zulke mensen zijn waaghalzen en durfals, ze zijn vermetel, dapper, kloek, koen, driest, boud, stout, onversaagd, roekeloos, onverveerd en onverschrokken, (allemaal verouderde woorden, trouwens). Maar ze zijn daarom nog niet moedig. Zij hoeven hun angst niet te overwinnen, want ze kennen hem niet eens.

[Moed is ook een erezaak, het is een houding die iemand aan zichzelf verplicht is. Zo iemand zou zichzelf anders niet meer onder ogen durven komen. Moed is dus een poging om de schaamte te voorkómen. Ik heb eens een moedige opwelling gehad, waarvan ik uiteraard onmiddellijk de wereld in kennis heb gesteld en ik schreef toen: ‘ik durfde het niet niet te durven’ (de zetter heeft die dubbele ontkenning natuurlijk meteen weggestreept, maar toch). Ik heb ook eens iets moedigs niet gedaan, en ook daarover heb ik geschreven. Er blijken altijd honderd en een goede redenen te zijn om iets moedigs na te laten, even de andere kant opgekeken, even met iets anders bezig, nog even het ingrijpen uitgesteld, nog net een verstandige bedenking bedacht. Dat valt, met uw welnemen, allemaal onder het ‘lulligheidsbeginsel. Dit wezensprincipe in het functioneren van mens en samenleving helpt mensen allereerst om iets niet te hoeven zien of horen wat hen in verlegenheid zou kunnen brengen. En ik voegde daar indertijd aan toe ‘Oordeel niet te gauw: dat iets hen in verlegenheid zou kunne brengen is al een aanwijzing voor hun morele sensitiviteit. Verlegenheid is al heel wat. Het lulligheidsbeginsel is eigenlijk niets anders dan de sociologische pendant van de wet van de traagheid, die in de natuurkunde wordt omschreven als: ‘De neiging van een kassa te volharden in de toestand van rust of beweging waarin zij zich bevindt.’ Dit geldt onverminderd in de menselijke-natuurkunde. (8)]

Moed is in laatste instantie een kwestie van zelfrespect. Die eerbied voor jezelf leer je van mensen voor wie je respect hebt.
Dat soort moed, een morele èn fysieke moed, dat is de moed die moet. Het is ‘zivilcourage’, de moed om voor de eigen overtuiging uit te komen, de moed om daar de materiële en de fysieke consequenties van te dragen óók ‘als je nog verder wilt in dit bedrijf’ (9),. Dat kan soms een groot risico inhouden, zelfs met inzet van eigen overleven. Wat dat precies inhoudt weten alleen de mensen die het gewaagd hebben. Heel wat mensen beweren dat ze bereid zijn te sterven voor het vaderland, hun geloof, hun beginselen. Meestal bedoelen ze dat ze bereid zijn om te moorden voor hun idealen. Dat is net iets anders. Het eigen leven kan daarbij verloren gaan als ‘collateral damage’, zeg maar randschade.
De Vaderlandse geschiedenis telt weinig helden, maar in het nationaal geheugen paraisseert Van Speijk: ‘dan liever de lucht in’. Dat was nog eens boud en onversaagd. Hij stak zijn brandende sigaar in het kruit en blies zijn kanonneeroot op, zichzelf incluis en bijna al zijn manschappen. Het gaat om een detail. Van Speijk rookte blijkbaar sigaren, waarschijnlijk pruimden de matrozen tabak. Bij zo een rangverschil kwam de bemanning er niet op aan, die werd in gemoede opgeofferd voor de eer van een officier. Ruim anderhalve eeuw later, weer in de ure des gevaars, verschijnt in de Vaderlandse actualiteit een anti-held, in alle opzichten Van Speijk’s tegendeel, die het vege lijf en de levens van zijn manschappen hoger stelde dan soldateneer en een gegeven woord. Tussen die uitersten ligt ergens halverwege de ware moed.

Het militair bedrijf verandert snel. De grenzen tussen oorlogvoering en misdaadbestrijding, waarover ik het hier tien jaar geleden had, zijn nog verder vervaagd. Steeds vaker zullen militairen in kleine eenheden, op zichzelf aangewezen, in een vijandige omgeving, ter plekke moeten beslissen naar eigen bevind van zaken. Er zijn geen slagvelden en geen slagordes meer, geen frontlijnen, geen fortificaties, geen herkenbare of aanwijsbare tegenstanders. De vijand is overal en nergens. Zelfs wie de vijand is, blijft meestal onduidelijk. In dat schaduwspel en in die schimmenstrijd zullen de troepen moeten opereren. In die strijd telt voor de tegenstanders geen enkele conventie, zij nemen geen krijgsgevangenen en wie in hun handen valt is ten dode opgeschreven; ze maken geen onderscheid tussen burgers en militairen; ze negeren het verbod op het gebruik van biologische of chemische strijdmiddelen en als ze de kans schoon zien zullen ze radioactieve of zelfs nucleaire wapens gebruiken. Zij zoeken soms hun toevlucht op het grondgebied van een min of meer geestverwant regiem, en soms houden ze zich in kleine roedels schuil in westerse landen om daar ooit, wanneer de tijd gekomen is, toe te slaan.

[In de strijd tegen de guerilla hebben geregelde legers het al heel moeilijk en dat verklaart voor een deel waarom de koloniale mogendheden zich hebben moeten terugtrekken uit vrijwel al hun bezittingen overzee. Maar die ongeregelde oorlogen speelden zich nog altijd af binnen een gegeven territoor, dat van het gekoloniseerde grondgebied. En dat was meestal voor de soldaten heel ver van huis.] De nieuwe terreur is niet alleen mondiaal, hij is niet alleen grenzeloos, hij is overal en nergens tegelijk, hij is ‘gedelocaliseerd’. Moderne, of zelfs ‘laat moderne’ legers kunnen daar niet veel tegen uitrichten. Daar zijn ‘postmoderne legers’ voor nodig (de term is van Charles Moskos (10) ): Kleine, selecte beroepslegers, geoefend voor beperkte missies zoals vredesstichting en vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening en, dat voeg ik eraan toe, de opsporing, uitschakeling of aanhouding van terroristen en oorlogsmisdadigers.

Hier gaat het om ‘politionele acties’ in een nieuwe, letterlijke betekenis: het gaat om interventies op het snijvlak tussen misdaadbestrijding en oorlogvoering. Zulke acties stellen andere, hogere eisen aan het oordeelsvermogen en de persoonlijke inzet van individuele militairen. Het vraagt ook een grotere strijdbaarheid van het burgerlijk thuisfront, de democratische achterban. De nieuwe bedreigingen vragen om een weerbare democratie die bereid is op te komen voor de verworven vrijheden en de veroverde rechten, en die de internationale rechtsorde verdedigt. Dat is de opgave. Een democratie die zich verweert stuit telkens weer op de grenzen die ze zichzelf oplegt. Dat is de paradox. Weerbare democratie behelst een innerlijke tegenstelling tussen rechtswaarborgen en strijdvaardigheid. Die tegenstelling moet telkens weer worden opgelost. In de verdediging van de democratie moet de democratie volkomen bewaard blijven.

Noten
1. Zie o.a. de gelijknamige bundel Greed & grievance: economic agendas in civil wars. Ed. by Mats Berda & David M. Malone. Boulder, Co, Lynne Rienner 2000.
2. De formulering is die van het NIOD-rapport (perssamenvatting, sub (3).
3. Het ging over Napoleon III, Le 18e Brumaire…
4. Over het militaire leven in die tijd: zie de prachtige mémoires van Bram van Stolk, S1`
5. S. Kleereekoper, Leerboek der bedrijfseconomie. Dl.
6. Baschwitz, Denkend mens en menigte
7. Zie onder andere Hans Toch
8. Een onbeduidend voorval (NRC)
9. Brig. Generaal Van der Wind tot Dutchbat luitenant Van Duijn die naar buiten wilde brengen ‘dat hij had gezien hoe de Serviërs paspoorten van Moslims aan het verbranden waren.’ NRC 12/11 2002, p. 2
10. Charles C. Moskos, ‘Towards a Postmodern Military : The United States as a Paradigm’ in: Charles C. Moskos, John Allen Williams and David R. Segal (eds) The Postmodern Military: Armed Forces after the Cold War. New York: St martin’s Press, 2000, pp. 14-31.

Een verkorte versie van deze rede verscheen op 16 november 2002 in NRC Handelsblad onder de titel:
De lucht, het lijf en de leden. Over Srebrenica en het nationale taboe op geweld.