NRC 24 augustus 1985

Al weer vele jaren exposeert het kunstenaarscollectief Rijkswaterstaat op een aantal plaatsen in het land zijn monumentale projecten: betonplastieken van kloek formaat, strak uitgevoerd en van een welhaast dwingende lijnvoering. Telkens vormt een brede, vlakke baan het hoofdstramien, als het ware even uit het landschap gelicht door parallelle aarden wallen en geulen. De textuur van de eigenlijke objecten lijkt van een afstand glad en structuurloos, maar blijkt van nabij van een fijnkorrelige en tactiel bijna provocerende complexiteit, een graniet-achtige materie die gestold lijkt te zijn uit een primordiale lavastroom, als was de oertijd hier voorgoed bevroren. Datzelfde paleolithische effect wordt nog eens versterkt door de grauwgrijze kleurstelling, een monocolore in de meest beginselvaste Klein-traditie die in zijn kleurloosheid het coloriet overstijgt tot iets wat nog slechts naar analogie met de muzikale atonaliteit is te omschrijven als a-coloriteit. Maar ook aan deze vaderlandse kunstenaarsgroep is de hard edge stroming niet voorbijegegaan: de expressieve ascese van het continue grauwe fond wordt polemisch doorbroken met een paar strakke witte lijnen die asymptotisch in de lengterichting doorlopen, soms gesloten, soms speels onderbroken als een stippellijn.

In recenter werk introduceert Rijkswaterstaat een nog verder reikend materiaalcontrast: we zien dan een inlijsting van de objecten in kaders van dubbelaluminium, alweer lengtegewijs en parallel, want het gaat nog steeds om verkenningen van longitudinale potentiƫlen: linten, stroken, banen - een verwijzing naar bewegingsrituelen, naar een verplaatsingsdrang die het kunstenaarscollectief blijkbaar sinds jaar en dag obsederen. Maar deze preoccupatie met koers en richting, die nadere gestalte krijgt in de detaillering van de objekten met kleinschalige en soms in het geheel wat priegelige decoraties - ronde en vierkante panelen in rood, wit, blauw of zwart met een toch overtuigend semiotisch signaaleffect - weigert elke transcendentale lading: de objecten blijven gewild en opzettelijk plat, horzontaal, aards.

Dit in tegenstelling tot een ander monumentaal werk van dezelfde groep: de correcties op de Zeeuwse kustlijn, die met hun torenende en verticale structuren, onmiskenbaar omhoogwijzen, verwijtend naar de hemel uit het water verrijzen om een almacht (een wrekende god, een nalatige gezagsdrager?) rekenschap te vragen van de nietsontziende verwoesting die de stormvloed hier ooit heeft aangericht en waarvoor Rijkswaterstaat met dit Deltawerk een gedenkteken heeft willen oprichten.

Met dit monument wordt de mens door het beton gewroken: met elk getij wordt het water als in een rituele boetedoening gedwongen door de poorten en de gangen van deze monumentale structuur te gaan, om in de achterliggende bekkens stil en brak tot bezinning te komen zonder dat van vergiffenis ooit sprake zijn kan in deze nooit aflatende loutering.

Van zo een elementaire transcendentie is in de lintstructuren van Rijkswaterstaat geen sprake. En toch zijn ook daar aspecten van verheffing aan te wijzen. Zonder aanwijsbare noodzaak buigen hier en daar stroken af om zich in een gespannen ritmiek over de baan te welven, in sommige objecten twee, drie overkoepelingen boven elkaar, en aan de andere kant weer terug te krommen in een aansluiting op andere stroken die zich dan tot ver in het landschap voortzetten. Hier refereert het collectief aan een Gothische lijnentraditie, uitgewerkt in fundamentele, maar in hun totaliteit verrassend complexe geometrische figuren.

Juist bij die overspanningen en verbindingen doorbreekt Rijkswaterstaat even de anonimiteit en de abstractie waarin deze high-tech betonwerkers zich bij voorkeur hullen: in reusachtige belettering verschijnt dan opeens het signatuur van de auteur en is er wel en ook expliciet sprake van 'kunstwerken'. De kunstenaar is aanwezig, maar vergroot zichzelf zozeer, voorziet zichzelf van zo ironiserende epitheta als 'directoraat', 'departement', 'maatschappij', dat zijn individualiteit toch verloren gaat in deze welbewuste grootspraak. Zelfs waar het collectief signeert blijft de kunstenaar als zodanig afwezig in het werk.

Na zovele jaren en een zo lange reeks projecten is het langzamerhand mogelijk een totaalbeeld te vormen van de monumentenketen die Rijkswaterstaat in het Nederlandse landschap heeft gelegd. Er wordt voortgewerkt in de school van de Amerikaanse highway, maar er is vooral aansluiting gezocht bij de Duitse Autobahn en ook de minder plezierige connotaties van die volkse en tegelijk totalitaire traditie zijn niet steeds vermeden: De aardse platheid van het werk doet soms ook vulgair en populistisch aan.

Misschien mede daardoor heeft dit toch compromisloos en extreem esthetiserend genre, een op zich ongenaakbare synthese van land art, concrete art en minimale kunst, een zo brede respons gevonden bij het Nederlands publiek. Op elk uur van de dag en op elke dag van de week worden de werken druk bezocht. Rijkswaterstaat heeft dan ook niets nagelaten om de projecten toegankelijk te maken voor een brede massa van geĆÆnteresseerde bezoekers die zich anders niet zo gauw aangetrokken voelen tot de avantgardistische kunst. Talloze liefhebbers zijn dagelijks op de banen aan te treffen en velen richten hun dag zo in dat ze een project 's ochtends van de ene kant kunnen bekijken om het aan het eind van de dag nog eens van de andere kant in ogenschouw te nemen. Steeds meer mensen kiezen zelfs hun woonplaats zo dat ze elke dag van en naar hun werk zo'n monumentaal parcours kunnen afleggen. Hier structureert de kunst het leven. Een groter compliment is voor een kunstenaar niet denkbaar. Men kan slechts met spanning afwachten hoe Rijkswaterstaat het Nederlanse landschap zal voltooien.

De volkeren verschillen van elkaar in hun middelmaat, maar ze lijken op elkaar in hun uitersten.

Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987
ook in: De draagbare De Swaan, Prometheus, 1999