NRC 7 december 1996

Al sinds een jaar of twintig zijn er kleine, goedkope benzinemotortjes op de markt, waarmee een stroomgenerator kan worden aangedreven of een waterpomp. Zo kan iemand zelf elektriciteit opwekken of drinkwater uit de grond halen. Die apparaten maken iemand in één keer tot een kleine zelfstandige die los van het leidingnet kan opereren.

In ontwikkelingslanden en in stagneringslanden, waar strijk en zet de stroom uitvalt, zijn die privé-generatoren gemeengoed in kantoren, winkels en in de huizen van de rijken. Ze bieden een toonbeeld van privatisering. 
De waterpompen dienen vaak niet om water uit de bodem te halen, maar om het uit het leidingnet te zuigen. Want 's ochtends als iedereen zich wassen wil en 's avonds als overal de vaat gedaan wordt komen in hooggelegen of afgelegen buurten alleen nog roestbruine druppels uit de kraan. Wie dan een motorpomp in huis heeft slurpt voor zijn beurt het water uit de leiding en zuigt zijn buren temet van de buis, terwijl bij hem het water dartel uit de kraan klatert. Maar zo iemand is een uitzuiger van het gemeentenet, die privatiseert niet, die parasiteert. 

Als iedereen dat nu deed? Als iedereen thuis een pomp op de waterleiding zette zou het water als een scheet door het net schieten. Daar kan geen waterwinning tegenop. De reservoirs raken in de kortste keren leeg, De gemalen draaien dag en nacht op volle kracht, de waterspiegel daalt en het water wordt almaar schaarser. 

Wie zelf stroom opwekt of zelf het water uit de grond pompt doet de buren in eerste instantie niets tekort. Maar hoe meer het verschijnsel om zich heen grijpt, hoe groter de overlast die anderen ervan hebben. De motortjes maken lawaai en ze stoten kwade dampen uit die met de uitlaatgassen samengaan in één gemeentelijke gifnevel. En als in elk huis een pompje draait, verdwijnt het grondwater steeds dieper de bodem in. Wanneer waterwinning en krachtopwekking eenmaal een zaak geworden zijn van de enkeling met zijn eigendom, hebben de burgers minder belang bij de openbare energie- en watervoorziening en die verkommert dan ook steeds verder. Dan zien ook de laatste klanten van de nutsbedrijven zich gedwongen om af te haken en voor zichzelf te beginnen. Wat eerst een mogelijkheid was voor enkelen, wordt tot een noodzaak voor iedereen.

Technische ontwikkelingen kunnen een samenleving in de richting van de privatisering drijven, of juist een collectivisering opdringen. Een tijd lang had ieder huis een tv-antenne. Toen werd de kabeltelevisie ingesteld en werd elk huishouden met ferme hand bekabeld (er is zelfs geprobeerd om privé-antennes te verbieden). Inmiddels zijn kleine schotelantennes verkrijgbaar die in combinatie met satellieten honderden malen efficiënter zijn dan de antennes van vroeger en ook beter dan de kabel van vandaag. De gruwel van de kabeltelevisie is dat een anoniem bedrijf een voorkeuze uit de zenders doet en zijn programpakket met gedwongen winkelnering aan alle ingezetenen oplegt. In dit geval is de privatisering door particuliere schotels een bevrijding.

Ook in de telefoontechniek gaat het die kant op: een zwaar netwerk van koperen kabels raakt overbodig door de komst van de mobiele telefoons die alleen maar hier en daar een steunzender of een satelliet nodig hebben. Concurrerende telefonie-ondernemingen kunnen elk een eigen rooster van signaalversterkers installeren en de consumenten kiezen desnoods per gesprek voor een verbinding door de ene of de andere aanbieder.

Het wereldwijde computernetwerk ontstond zonder tussenkomst van overheden of grote ondernemingen als een uitdijend systeem van afspraken tussen computercentra waar individuele gebruikers op inhaakten. 
Windmolens en zonnecellen kunnen energie leveren per huishouden zonder dat er onderliggende of overkoepelende netwerken aan te pas komen. 

Telkens weer maakt technische vernieuwing centrale installaties, centrale planning, coördinatie en dwang overbodig of onmogelijk. De nieuwe technieken tenderen naar de anarchie. 

En toch zijn al die innovaties het resultaat van doordacht speurwerk, van georganiseerde productie en uitgekiende verkoopmethoden. In de meest geavanceerde sectoren, zoals computerchips, zonnecellen, of communicatiesatellieten, concurreren telkens een paar reuzenondernemingen met elkaar om de wereldmarkt. De consumenten kunnen voor elk product kiezen tussen twee, drie merken, maar daarbuiten is geen alternatief en zelf maken kunnen ze het al helemaal niet. De gebruikers zijn dus onderworpen aan een chipsregiem, of een benzineregiem, of een satellietregiem, met telkens een keuze tussen drie, vier marktpartijen. Maar de gebruikers die aangewezen zijn op deze technische regiems zijn daarmee als burgers minder afhankelijk aan het worden van de collectieve voorzieningen in hun stad of staat.

Dringt de techniek die afhankelijkheidsverhoudingen aan de mensen op, of zijn het bestaande machtsverhoudingen die de techniek op die wijze modelleren? Er zitten in technische toepassingen meer keuzemomenten verborgen dan wel lijkt.
Waarom worden de spoorwegen alleen gebruikt voor gemeenschappelijk vervoer in aaneengesloten treinen en waarom worden straatwegen vooral gebruikt voor vervoer in particuliere auto's met maar één of enkele reizigers? Is daar een sluitende technische verklaring voor, of lag het aan de maatschappelijke omstandigheden die overwogen bij de aanleg? 
En is er in het ene of het andere geval door wie of wat dan ook iets aan te doen?