NRC 31 mei 1997

De Marshallhulp is mij indertijd als vijfjarige even ontgaan, maar al dadelijk na de oorlog die nog steeds dè oorlog is, ontving ik hoogstpersoonlijk ontwikkelingshulp uit de VS. De Amerikaanse oom naar wie ik vernoemd ben stuurde pakjes naar Nederland. De inhoud staat mij heel nauwkeurig bij: Life Savers, Wrigley's kauwgum, Hershey chocoladerepen en, zeer tot mijn ergernis, grote blikken Maxwell koffie die voor mijn ouders bestemd waren. Al die luxe-waren zijn meer dan een halve eeuw later nog te krijgen, in precies dezelfde verpakking.

Er bestaat vaderlandsliefde, maar er bestaat ook anderlandsliefde. En die kan even innig zijn en even lang beklijven. Als één anderland ooit geliefd is geweest, dan wel de Verenigde Staten van Amerika. Bij mij begon het meteen na de Bevrijding. Ik zat bij mijn moeder achterop de fiets en we reden langs de Hondsbosse zeewering waar de Duitsers de polder met bunkers en tankversperringen hadden volgestouwd in afwachting van de invasie. Bij een wachtpost hield een Canadese militair ons aan. Ik was oud en wijs genoeg om bang te zijn voor soldaten en hield mij muisstil. Maar van deze soldaat kreeg ik iets, iets wat ik nog nooit gezien of geproefd had, een pakje Chiclets: dat gaf de beslissende wending aan mijn politieke vorming.
Later heb ik het Amerikaans imperialisme en de racistisch kapitalistische uitbuiting aldaar herhaaldelijk streng moeten veroordelen, maar Amerika heeft mij het leven gered en het sedertdien zeer veraangenaamd. Mijn kritiek was dan ook principieel, maar kwam niet van harte.

Dat komt kennelijk meer voor. Wanneer her of der een protestmars gehouden wordt tegen het grootkapitaal of de grote Satan, het neokolonialisme of een andere Amerikaanse doodzonde, dan gaan de demonstranten gekleed in spijkerbroek en T-shirt en lopen de route uit op basketbalschoentjes. Hun leuzen scanderen ze in het Engels en na afloop luisteren ze bij voorkeur naar Amerikaanse jeugdmuziek. 

En omgekeerd, het anti-Amerikanisme in Europa is vaak dekmantel voor een verschaalde hang naar nationaal-socialisme of communisme, of blijk van een cultuurtotalitarisme dat smaak en stijl van de Europese elite als enige maatstaf aan de mensheid op wil leggen.

Blijkbaar kan iemand patriot zijn van een vreemde mogendheid. De Nederlandse patriotten stonden indertijd aan Franse kant en hielpen de Bataafse Republiek aan de macht, een buitenlandse bezetting die een binnenlandse bevrijding bleek. Net zo heeft de Amerikaanse bezetting van Duitsland en Japan die landen van zichzelf bevrijd. De Koreaanse oorlog was een bevrijdingsoorlog die helaas voor de Noorderlingen ten halve gekeerd werd. De oorlog in Vietnam was een gruwelijke vergissing en voor straf hebben de Verenigde Staten die dan ook verloren. De Golfoorlog heeft veel erger voorkomen, maar bleef onvoltooid en heeft dan ook geen verbetering gebracht. De lange, ingehouden Koude Oorlog is zonder atoomexplosie geëindigd met de ineenstorting van het communisme. 

Een Amerikaanse patriot blijft de Verenigde Staten hun bejegening van de zwarten en de Indianen verwijten, hun knechting van Latijns Amerika, hun asociaal beleid, hun godsdienstwaan, hun neokoloniaal gekuip. De liefde voor Amerika is in wezen 'counterfactual': hoe zou de wereld er hebben uitgezien als niet de V.S., maar een andere mogendheid de oppermacht verworven had? Geen die het weet, maar het laat zich enigszins vermoeden. Ook vandaag is er niemand die Amerika ontvluchten wil, maar trachten nog steeds tientallen miljoenen naar dat land te ontkomen.

In het holst van de nacht vertoonde de Duitse televisie deze week nog eens het grote filmepos van de invasie, The longest day, nagesynchroniseerd in het Duits. Het was een ontnuchterende versie. John Wayne, Robert Mitchum, Sean Connery, iedereen sprak Duits, net als de Duitsers, die toch in Engelstalige oorlogsfilms Engels spreken met een Duits accent; dat zijn we zo gewend. In deze Duitse versie spraken Amerikanen en Engelsen accentloos Duits en dat doorbrak de vanzelfsprekende verdoving van de sympathie. Opeens bleken de filmhelden als oorlogshelden zelfingenomen, lollige, kinderachtige vechtjassen en bovendien middelmatige acteurs die zich te zeer verzekerd wisten van de bewondering en de instemming van hun publiek.
Maar de film is nog steeds de beste reconstructie van de landing in Normandië. Daar op het doek worden wij bevrijd. Niemand die het heeft meegemaakt of die nog mensen heeft meegemaakt die het hebben meegemaakt kan het aanzien zonder te beseffen dat daar over zijn lot wordt beslist. Die gehelmde, kauwgum kauwende en sigaren knauwende opscheppers, die gedecoreerde en geaffecteerde aanstellers hadden toch maar de moed om de Atlantik wall te bestormen en door te stoten tot Berlijn, waar de Russen ondertussen de andere helft van het karwei hadden opgeknapt.

Er is in die film één beeld dat de Bevrijding in een oogopslag samenvat. In hun bunker turen Duitse officieren door hun kijkers over de zee. Niets te bespeuren. En dan opeens, in het eerste ochtendlicht, over de volle breedte van de Cinemascope, verschijnen tientallen, honderden, duizenden stippen, dan masten, geschutstorens, oorlogsschepen. De grootste armada uit de geschiedenis nadert de kust. De oorlog is al gewonnen, hij moet alleen nog gestreden worden. Dat ene totaalbeeld werkt als een tot één klank samengebalde symfonie. 
De infanteristen die onder hevig vuur het strand opstormen, de rotsen beklimmen en met zware verliezen de Duitse versterkingen innemen worden gespeeld door tienersterren. Uit een omsingelde kazemat komen Wehrmachtsoldaten met de handen omhoog en roepen 'Bitte, bitte'. Eén van de Amerikaanse idolen maait ze met zijn stengun neer en zegt dan in een terzijde: 'I wonder what "bitte, bitte" means.' 
In de Duitse versie werd dat: 'Es tut mir wirklich Leid'.