New Haven, Connecticut, is een middelgrote stad, honderd mijl ten noordoosten van New York in de brede strook van staten die New England wordt genoemd, het gebied dat het eerst gekoloniseerd werd door Engelse en weldra ook door Nederlandse, Duitse en Scandinavische emigranten. Stadjes en steden als Boston, Hartford, Providence en New Haven reiken makkelijk drie eeuwen en meer terug in de geschiedenis en dat is ongeveer even lang als de meeste West-europese steden.

Ook het historisch bewustzijn is er niet minder. Er is altijd wel iemand in de familie die nog weet wanneer de stamvader voet aan land zette in Amerika. Als het kort geleden is dan ligt het nog vers in het geheugen, is het lang geleden dan is het iets om trots op te zijn. Wie zijn stamboom terug kan kweken tot de schepelingen van de Mayflower die in 1620 in Massachussets in naam des Konings een kolonie stichtten, kan zichzelf tot een soort half-adel rekenen. Wel geen echte adeldom, maar bij gebrek aan erfelijke titeldragers toch het enige wat daar in de buurt komt. 

Ook New Haven toont geschiedenis: midden in het stadje ligt een open grasveld, met oude bomen en met drie kerken die van twee-en-een-halve eeuw terug dateren. Daarachter begint dan het terrein van een van Amerika's oudste en beroemdste universiteiten: Yale, gesticht in 1701 en gebouwd in een stijl nog histori-scher dan zijn geschiedenis: gothiek. Over een gebied van ongeveer een vierkante mijl staan de woongebouwen, collegezalen en bibliotheken, alles opgetrokken in natuursteen, glas-in-lood, met torentjes, spitsbogen en pronkpoorten. En niets is ouder dan een halve eeuw. Het meeste is gebouwd door werkloze Italiaanse immigranten, veelal van huis uit steenhouwers, in de jaren twintig en dertig van deze eeuw. Van binnen is in deze gebouwen alles in de stijl van Engelse clubs en colleges gehouden: houten betimmeringen, zware tafels, leren fauteuils en banken, schemerlampen, deuren met houtsnijwerk en zelfs lifthekken met smeedijzeren versieringen. 

Alleen al deze korte opsomming is genoeg om in naoorlogs Nederland hoon en woede op te wekken over zoveel stijlvervalsing en pronken met andermans historie. Houd die woede in en slik de spot: het is nergens aangenamer werken dan in een gothische nis aan een zware houten tafel. Het is plezierig een vriend tegen te komen in lange stenen gangen, versierd met de gebeeldhouwde hoofden van dekens en pedellen uit vroeger jaren. Het is heerlijk om in een studentenhuis een onvindbare kamer te hebben achter metersdikke muren in een labyrint van torens en transen, sluip-gangen en valse gevels.

Deze bouwstijl mag dan vals in aanleg zijn, maar het is leuk leven in gothiek. En al is die stijl dan niet van de twintigste eeuw, mag hij daarom niet nu gebruikt worden? Waarom zouden de ontwerpers van deze tijd niet hun eigen betekenis mogen geven aan de vondsten van gothiek, romaans of rococo? Wat is dat eigenlijk voor purisme dat iedereen beveelt in eigentijdse stijl te bouwen?

In Yale is de gothiek een fase van het bouwbeleid geweest, waarvoor de meesten, ook hier, zich eigenlijk generen. Het was ontstellend duur, al dat hakken, smeden en metselen en het was een poging om ouder te lijken dan de eigen jaren. Maar ten lange leste was het resultaat een omgeving die gelukkig maakt en rustig voor jonge, harde werkers. 

De nieuwe bouwstijl in Yale en in New Haven is nu vooruitstrevend: voorhoede-architectuur. Na de oorlog heeft een uiterst begaafde burgemeester in deze stad een grootscheepse vernieuwing van de stadskern doorgedreven. Het resultaat is uniek in Amerika en een voorbeeld voor alle steden met vernieuwingsplannen. Burgemeester Richard Lee werd gesteund door de planning-deskundigen van Yale en door een legioen van befaamde architecten. Paul Rudolph bouwde in New Haven zijn fameuze betonnen structuren: een garage en een school voor bouwkunst.
De Fin Saarinen, die in New Haven kantoor hield, ontwierp een ijs-hockey-stadion waarvan alleen het onwaarschijnlijk gebogen dak op een afstand te zien is. Ook het avontuurlijke dorp van studenten-woongebouwen, met keistenen muren, schuine wanden en raamspleten is van Saarinen. Bunshaft zette een bibliotheek neer in doorschijnend wit marmer, een schenking van de gebroeders Beinecke, de spaarzegel-miljonairs. Kahn bouwde in New Haven een compact en intelligent museum. Deze architecten horen tot de grootste bouwmeesters van vandaag. Hun gebouwen zijn opvallend, kostbaar uitgevoerd, niet bijzonder efficiënt, maar gedurfd en doordacht, bovenal plezierig om in te leven.

Het stadsbestuur, dat over een minder ruim bouwbudget beschikte dan de universiteit, wist toch de architecten te vinden die oorspronkelijk en doeltreffend konden bouwen. In de negerwijk verrezen wo-ningwetwijken, elders scholen en winkelblokken, ontworpen met een oog voor het gemak van de gebruikers en met zin voor het aanzien van de wijk. Met dat alles leeft in New Haven in de architectuur een emotie die nu in Holland streng verboden lijkt: plezier in de bouwkunst.