Voorbij de spoorlijn en aan de andere kant van de grote weg, daar is het slecht wonen in dit land. Het is in elke stad de verkeerde kant. De goede kant heeft bomen langs de straat, huizen met een portiek en een dubbele garage, veel groen en sappige kinderen. Dat zijn de residential districts, de gezeten buurten. Wie daar woont rijdt met zijn auto naar werk en winkels, liefst niet door de verkeerde buurt. Maar als het moet eroverheen, langs hooggebouwde snelwegen, óf hij gaat eronderdoor per ondergrondse. De gezeten burger kent de andere kant ternauwernood.

Aan de verkeerde kant wonen de mensen die uit de verkeerde landen hierheen gekomen zijn: uit Polen en Italië in plaats van uit Zweden, uit Hongkong en Puerto Rico in plaats van uit Duitsland. De mensen die praten met een accent, net als iedereen hier. Maar bij deze mensen is het een 'raar' accent en aan de andere kant van de spoorlijn is het een 'leuk' accent. De buitenkant van het leven in de verkeerde buurt is bedriegelijk: er is een ijskast en een grote auto, misschien een kleurentelevisie, maar die had misschien toch beter niet gekocht kunnen worden, want het huis steekt nog slordig in de verf, het is dan ook maar een buurhuis. De kinderen zitten slecht in de kleren, maar zij gaan toch niet meer naar school.

Ongeveer 50 miljoen mensen, een kwart van de bevolking, leeft aan de verkeerde kant van de spoorlijn en aan de verkeerde kant van de inkomensgrens van 3000 dollar per jaar. Dat bedrag is genoeg om van te kopen wat noodzakelijk is van dag tot dag, het is onvoldoende voor wat elke week overbodig is maar onmisbaar in een mensenleven: een vakantie, de zekerheid van een kleine spaarrekening, en bovenal goed onderwijs, een vakopleiding voor de kinderen. Van zestig dollar in de week kan een gezin bestaan, het kan er niet van vooruitkomen, het kan er niet van meedoen.

En zo zijn vijftig miljoen mensen de verliezers in de vrolijke race, in de opgewekte wedstrijd om promotie en opslag, om buitenlandse vakanties en binnenlandse luxe. En nadat ze één keer verloren hebben - een baantje geweigerd om hun huidskleur, uitgesloten van een club vanwege hun afkomst - en toen nog een keer verloren en nog een keer, toen hielden ze op te geloven dat het een eerlijke wedstrijd was. En nog een tijdje later, een generatie verder, hielden ze op mee te willen doen. En toen waren ze 'armen', mensen die meedoen voor spek en bonen.

Dat zijn de armen die Amerika nu ontdekt heeft. Door hun huizen loopt het binnenlandse front van de war on poverty, de oorlog tegen de armoede. Maar zo eenvoudig is het niet. Dollars en schoolmeesters, sociale werksters en clubhuizen blijken niet genoeg. Dat alles stuit af op het pantser van de armoe.

Oscar Lewis, een antropoloog, heeft een onderzoek gedaan naar een familie van Puertoricaanse armen in New York en San Juan.* Hij ontdekte daar een cultuur van armoe. Veel armen in de grote steden waar ook ter wereld, zegt hij, vormen een volk apart dat het geloof in de grote beginselen van de omringende maatschappij niet deelt: geen geloof in de rechtsstaat, alleen in de dreiging van politie en gevangenis; geen geloof in hard werken en sparen voor later, maar in genoeg verdienen om zo niet de schuldeisers, dan tenminste de deurwaarder weg te houden.
De armen zijn ongeïnteresseerd, zegt hij, onbekend met de helden uit de geschiedenis van hun land, wantrouwig tegenover de sociale instellingen die de buitenwereld ze aanbiedt. Verveeld, maar met een gave om het weinige dat er te genieten is ook onmiddellijk uit te buiten. De mannen met een talent voor mannelijk vertoon, de vrouwen heerszuchtig en zelfstandig.

De armeluiscultuur, zonder toekomstvisie en zonder verleden, zonder organisaties, houdt toch de ideeën van de middenklasse in ere: huwelijk, eerlijkheid, onderwijs... maar met een knipoog: 'mooi, maar niet voor ons soort mensen.'

Tot nog toe dachten de onderzoekers dat deze instelling vooral typisch was voor de Amerikaanse neger. Maar Oscar Lewis meent dat het alle chronisch armen in de grote steden typeert. Het is de reactie tegen een omgeving die iedereen die geen succes heeft onvolwaardigheid aanwrijft en hem tegelijkertijd uitsluit van alle kansen op welslagen door eigen kracht. Voor zover ze het zich realiseren voelen de Amerikanen zich ongemakkelijk over de armen in hun land. Het hardnekkig voortbestaan van een pauperklasse is strijdig met het verhaal van Amerika's onbeperkte mogelijkheden, van de gerechte beloning voor alle oprechte inspanning. Hoevelen zijn niet met niets begonnen en hebben zich omhoog gewerkt. Het ongeluk van de armen is te wijten aan hun eigen onwil. Daarbij wordt vergeten dat ook in Amerika de maatschappij is dichtgegroeid met vergunningen en diploma's, promotie-regels en getuigschriften. Ambitie en volharding kunnen daartegen op, maar als die van begin af aan zijn doodgelopen, blijft alleen gelatenheid en groot wantrouwen tegen een wereld van kansen en beloften die nooit in vervulling gaan. De oorlog tegen de armoede komt uit diezelfde wereld. Voor de armen is het een geste van de buitenstaanders en de betweters. Nu zijn ze dan een officieel probleem en worden opgelost. Het probleem zelf gelooft daar niet zo in en blijft op een afstand. De radicale activisten in Amerika lijken dit begrepen te hebben. Hun eerste zorg is een nieuw besef van eigenwaarde te kweken onder de bewoners van de ellendebuurten in de grote steden en in het barre zuiden. Samen met de armen zetten zij organisaties op, gericht op onmiddellijke verbetering van wantoestanden in de wijk zelf. Geleidelijk aan nemen de wijkgenoten het over en stellen nieuwe doelen vast. Het gaat erom voor alles de lijdzamen weer handelingsbekwaam te maken. Zo moeten zij een nieuw zelfbewustzijn vinden in een maatschappij die dat tot nog toe slechts reserveerde voor de geslaagde blanke.
Pas wanneer de onvoldanen in eigen organisaties verenigd en vrij van voogdij hun eisen kunnen stellen, kan blijken welke krachten in de maatschappij hun armoede in stand hielden.

Achteraf:
In 1947 leefde bijna de helft van de Amerikaanse gezinnen van minder dan 3000 dollar per jaar, zeventien jaar later nog slechts 17,5 procent: een derde van de Amerikaanse gezinnen is dus in die periode boven de armoegrens gestegen, en zelfs als die grens door geldontwaarding een stuk mee omhoog ging, is nog het aantal armen in de afgelopen jaren in de VS bijna gehalveerd.
Het probleem van de laagste inkomensgroepen was dus al voor een goed deel opgelost nog voor de war on poverty begon. Maar het ziet ernaar uit dat de gezinnen die zijn achtergebleven in de laagste inkomenscategorie behoren tot de harde kern van de armoe en dat zij zonder grote nationale inspanning en een radicale verandering van hun omstandigheden niet boven hun huidig peil zullen stijgen. Van zulke grootscheepse actie is nu geen sprake. Vandaar, ondanks deze bemoedigende cijfers, de algemene verontrusting in vooruitstrevend Amerika.

* Oscar Lewis, La Vida; A Puerto Rican family in the culture of poverty - San Juan and New York, New York, Random House, 1966.