De eerste weken die ik in dit land heb doorgebracht vergingen in één adembenemende paniek. Ik had begrepen dat mijn aankomst samenviel met een totale, algehele, volslagen omkering, hervorming, revolutie, catastrofe. Een keerpunt in de geschiedenis, minstens van Amerika, eigenlijk van de gehele mensheid. Die indruk werd gewekt door radio en televisie, door krant en tijdschrift. En ik werd er wat nerveus van. Eén dag werd een wetsvoorstel aangenomen dat op slag alle achterbuurten van de metropool zou doen vervangen door glanzende torenflats.

Ik haastte mij dan per taxi naar een armoewijk om de kazernewoningen nog eenmaal te zien voor ze die middag tegen de grond zouden gaan. Diezelfde middag deelde de nieuwslezer mee dat de Verenigde Naties hun precair bestaan nog hooguit drie weken zouden kunnen verlengen vanwege nijpend geldgebrek. Ik schreef een cheque zo groot als ik me kon veroorloven om de wereldvrede althans nog tien seconden te verlengen, maar reeds verscheen de officier van justitie in het beeld en kondigde op blafferige toon aan dat hij een massale oorlog gelanceerd had tegen de Maffia.

Uitspraak die mij een dubbele hartklap bezorgde, ten eerste omdat dan dus de Maffia blijkbaar echt bestond, hetgeen voor mij nieuw was, ten tweede omdat dit bestaan nu in enkele dagen zou worden beëindigd. In de avonduren blijkt volgens het nieuws de beslissende slag geleverd te zijn tegen de Vietcong, en dus indirect tegen China en het gehele wereldcommunisme. Dat was alles bij elkaar genoeg voor een afwisselende dag. Dat ik dat allemaal mocht meemaken... De volgende dag was even vol gebeurtenissen. En de dag daarop al evenzeer. Een panische wereld, in Amerika, in het begin. Geleidelijk aan ging het wennen. Elke week waren vanuit de bus nog dezelfde kazernewoningen te zien in dezelfde achterbuurten. De Verenigde Naties bestonden voort, in geldgebrek, maar tóch. Maffia en politie speelden nog steeds diefje met verlos. De slotcampagne in Vietnam was allang gevolgd door een uiteindelijke en daarna een definitieve actie... Mijn ontsteltenis bleek te wijten aan een taalkundig misverstand, of zoals dat heet, een 'semantisch differentieel': de Amerikanen zijn veel guller met hun grootste woorden dan de Nederlanders, even gul als de Engelsen er zuinig op zijn. Als een Nederlandse krant de zaken aandikt voor de helft, leggen de Amerikanen het er dubbel op. De Amerikaanse overdrij-vingscoëfficient is twee keer de Hollandse. Als dat eenmaal tot de lezer is doorgedrongen, halveert hij het belang van elk bericht, waar hij bij het Nederlandse nieuws aan één korrel zout genoeg heeft. Het Amerikaanse wetenschappelijk adviesbureau dat over dit verschijnsel een rapport zou uitbrengen, zou het aldus formuleren: 'Spontane en Automatische Tekstcorrecties Impliciet in Lectuur, SATIL. (Kosten dezes $ 20.000).*

Als ik nu in mijn zondagsheilige bed de ochtendkrant lees, vermag zelfs het bericht van een derde wereldoorlog niet meer door mijn morgenwaas te breken. Ik heb de les begrepen.

Nieuws is hier niet allereerst mededeling, maar aansporing tot verder lezen, verder luisteren. Alle berichten zijn voornamelijk middel in de ene grote strijd die dag aan dag wordt uitgevochten: de strijd om de aandacht van de consument. Het nieuws dient tot verpakking van de advertenties. Mijn radionieuws bij voorbeeld, wordt mij 's morgens aangeboden door

Bayer-aspirine, een firma die belang heeft bij veel hoofdpijn. Het journaal bevat dan ook altijd wel een onheilsboodschap. En dat is dan meteen een catastrofe. Want zomaar een ongeluk houdt het publiek niet vast en bezorgt geen mens meer koppijn. Dus wordt alles opgedreven. De stijl is die van overstate-ment, overdrijving en hyperbool. Zoals in sommige landen het betaalmiddel is opgeblazen en een kippeneitje duizend droezen kost, zo is hier het taalgebruik opgepompt tot datzelfde eitje een super jumbo reuzen eerstegraads ei heet. De advertentie die de meeste aandacht weet te trekken, verkoopt het best, de krant of radio die met zijn berichten de grootste aandacht weet te veroveren krijgt de meeste advertenties en de politicus die het sterkst de aandacht op zich weet te vestigen, komt het grootst in de kranten.

Zo is de aandacht van het publiek, de aandacht van consument en kiezer het meest gevraagde goed in Amerika. Een Amerikaan heeft per dag maar zestien uur aandacht en langzamerhand wordt hij er zuinig op. Dus roepen de krantenkoppen en de nieuwslezers nog luider. Alles overschreeuwt iedereen. Amerika is een schor land.

Waar moet dat heen? Naar de andere kant van de cirkel. Het duurt niet lang meer of Cadillac laat zich aanprijzen als 'een behoorlijke auto'. Als de krantenkop dan luidt: 'Het zit niet best', is het werkelijk tijd voor de schuilkelders.