NRC 24 mei 1997

Is de school een verbeteringsgesticht? Moeten kinderen in het onderwijs alleen maar iets leren, of moeten ze er ook nog betere mensen van worden? 
Er voltrekt zich op het ogenblik opnieuw een fase in de permanente onderwijsvernieuwing en ditmaal zijn de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs aan de beurt. Omdat overheid, kerk, leger en ouders steeds minder over de kinderen te vertellen hebben, terwijl tv, film, disco hun bedervende werking steeds ongebreidelder uitoefenen, rest er nog maar één instelling die de mens kan verheffen, en dat is de school. Zo ongeveer verloopt de redenering, meer uit emotie en overtuiging dan met het verstand.

Want de school kan het ook niet.

Scholieren zouden beter moeten leren denken, denkt men dan, want daar worden ze betere burgers en aardiger mensen van. Daarom moeten ze worden gevormd in de logica, of de argumentatieleer, of desnoods de filosofie. Dat kweekt kritischer geesten, met een afstandelijker oordeel.

Nu heeft zich nooit iemand bij de NSB gemeld vanwege van een redeneerfout en er is nog nooit iemand in het verzet gegaan op grond van een sluitend syllogisme. Zo werkt het niet. Mensen handelen op grond van beginsel, belang, gewoonte en gevoel, in onvoorspelbare en onontwarbare mengeling.

Als scholing alleen niet voldoende is, luidt de gedachtengang, dan is verdere vorming nodig, tegen het kwade en vóór het goede. De kinderen moet politiek en moreel onderscheidingsvermogen worden bijgebracht. Dat gebeurde vroeger op catechisatie, maar daar is men nu en masse van teruggekomen. 
In andere landen werd het wetenschappelijk marxistisch-leninisme dwingend uitgedragen en ook daarvan zijn de resultaten ontoereikend gebleken. In de Verenigde Staten krijgen de kinderen les in 'civics', een soort zelf-feliciterende burgerschapskunde, en in Nederland is indertijd het schoolvak maatschappijleer ingevoerd, dat de democratische en emancipatoire vorming ten doel had. Tijdens de les werden de kinderen aangespoord om toch vooral hun eigen mening te verkondigen, zolang die mening maar correct was. Dat ontaardde in veel gedram en heel wat gehuichel, waarmee het vak zijn krediet bij de leerlingen en de ouders verspeelde.

Ondertussen is het vak allang niet meer zo opiniërend en is het nu veel meer gericht op feitelijk inzicht in actuele maatschappelijke problemen. Dat is al een hele vooruitgang. Maar voor een schoolvak is die koppeling aan de discussie van de dag toch ongewenst. Het ene seizoen staat in het teken van de sociale uitsluiting, het jaar daarop wordt beheerst door het milieubederf en meteen daarop overheerst de multiculturele samenleving. Volgende keer is de sociale cohesie aan de beurt. Zo is tegen het eindexamen elke lichting scholieren grondig ingewijd in de maatschappelijke discussie die het jaar tevoren al werd afgesloten. Wil het vak maatschappijleer de scholieren iets meegeven van meer blijvend belang dan moet het aansluiten bij de ontwikkeling in de sociale wetenschap en een eerste overzicht geven van de bevindingen en de begrippen die daar opgeld doen. Alleen zo kan het een goede voorbereiding zijn op het hoger onderwijs in één van de sociaal-wetenschappelijke disciplines en alleen op die manier geeft het scholieren die een andere studierichting kiezen toch de sociaal-wetenschappelijke visie mee. 
Bij het onderwijs in de maatschappijleer wordt nu dan ook meer aansluiting gezocht bij de sociale wetenschap zoals die aan de universiteit bedreven wordt. Dat gaat moeizaam, want maatschappijleer en maatschappijwetenschap hebben elkaar jarenlang nuffig genegeerd.

Die toenadering komt nu misschien te laat. De politiek heeft de maatschappijleer, waarvan ooit zoveel, zoveel teveel, verwacht werd, alweer opgegeven. De betere burgers kwamen er niet, integendeel, de jongelui slaan elkander op de tribune en in de disco in elkaar en rijden zonder te betalen met de tram. Daar moet iets aan gedaan worden. In het onderwijs. Als maatschappijleer niet helpt, dan moet een ander vak de jeugd verbeteren. In vertwijfeling draaft nu een Kamerkudde de andere kant op en omklemt de filosofie. Zijn daar niet de vragen van goed en kwaad aan de orde, wordt daar immers niet waarheid van leugen onderscheiden? Welzeker. Nu dan, dat we daar niet eerder op gekomen zijn. Breng de kinderen van jongs af aan de wijsbegeerte bij.

Als er een vak bestaat waarin geleuter en gejengel in diep obscurantisme doordrenzen, dan is het wel de academische filosofie in eigentijdse zetting. Elke massamoordenaar in deze eeuw heeft wel een huisfilosoof als onbezoldigd goedprater getroffen, of het nu Heidegger was die Hitler bediende, of Sartre die Stalin kopjes gaf. Al die wanzin en die waanzin, dat moet gezegd worden, wordt nog het best bestreden door andere filosofen. Maar ondertussen biedt de wijsbegeerte als schoolvak geen enkel uitzicht op de morele verheffing van de jeugd. Iedere filosoof die dat wèl pretendeert ontmaskert zichzelf als een bedrieger.

Ook van de sociale wetenschap valt geen verbetering van de mensheid te verwachten. Onder de grootste ellendelingen in het voormalige Joegoslavië zijn er heel wat met een doctoraal examen in de sociologie, en trouwens ook in de psychiatrie. Wat van de sociale wetenschap op zijn hoogst verwacht mag worden is een verheldering van de maatschappelijke discussie. Dat is al heel wat, en ook de filosofie kan daarin een aandeel hebben.

Nu wordt in het parlement gewerkt aan de afschaffing van de maatschappijleer en om de morele leegte toch te vullen wordt geijverd voor invoering van de filosofie. Van de ene illusie vervalt men in de andere zinsbegoocheling. Vervang toch niet het ene kletsvak door het andere. De maatschappijleer heeft zich met veel moeite uit het moeras van de kletsica geworsteld. Er is in de loop van de jaren een lerarencorps gevormd en een eigen vakopleiding ingericht.

Het schoolvak maatschappijleer kan nu een zinnige inleiding tot de sociale wetenschap worden.