Black Power is zoals gezegd zwarte macht voor de zwarte gemeenschap: economische macht en politieke macht. Dat betekent nog niet zwarte overheersing van Amerika, van blank Amerika. Maar het is genoeg voor een kleine paniek onder de blanken en een verholen enthousiasme bij de negermassa's in de grote steden. Het blijft onuitgesproken, maar wie Black Power zegt, zinspeelt soms op een eindafrekening, op de grote wraakoefening van zwart Amerika na drie eeuwen onderdrukking.

Blank Amerika heeft een kwaad geweten en elke onderdrukker heeft heel diep in zijn achterhoofd de angstdroom van de grote omkering der rollen. Vandaar de verontwaardiging om de Black Power leus, zelfs in vooruitstrevende kringen. Er is nog niets gezegd, maar iedereen begrijpt het zonder woorden, zelfs zonder gedachten: Soms speelt de politiek zich afrond het middenrif. Er is nog niets gezegd, maar een buitenlandse buitenstaander kan vermoeden dat Black Power ook bij de negers even kietelt aan dezelfde fantasie, een wereld waarin de zwarte heerst over blanke onderdanen.

Zo schandelijk is die gedachte en zo gedurfd, dat hij alleen maar uitgesproken wordt in het hart van Harlem of binnenskamers, onder geestverwanten. Toch is het idee overal aanwezig: 'twee miljard gekleurde mensen op deze aarde' roept een spandoek in Harlem. En ieder vult voor zichzelf in: 'dat kan niet lang meer duren, dan zijn wij de baas.' Deze fantasie wordt misschien ooit werkelijkheid, nu is hij nog niet van belang. Wat telt, is dat hij er is, vormeloos en onuitgesproken. En dat daarom de leus Black Power ontplofte in Amerika. 

Stokeley Carmichael zegt: 'Het is niet aan ons om uit te leggen wat het betekent, maar aan jullie blanken om ons te begrijpen.' Floyd McKissick gebruikt de Black Power-slogan voor een militant en zinrijk programma tot verbetering van het lot der negers. Zolang elke neger afzonderlijk nog weinig kans heeft om in de blanke gemeenschap carrière te maken, en zolang negers in Amerika onder de voortdurende druk van openlijke of onuitgesproken discriminatie leven, zolang - zegt McKissick - moeten de negers zich als één groep in de strijd werpen. Zij moeten een politiek blok vormen, zich economisch isoleren en zich zo gezamenlijk opwerken.

Niet vanwege een rassentheorie, maar omdat ze samen meer kans van slagen hebben, omdat de zwarte enkeling in de blanke maatschappij steeds weer op gesloten deuren stuit. Zijn de negers als volksgroep eenmaal gelijkberechtigd, dan pas kunnen ze de bescherming van het eigen milieu opgeven en, met de mogelijkheid om er steeds weer op terug te vallen, eindelijk de blanke maatschappij ingaan. Daar is niets tegen in te brengen, behalve dat de negers misschien nu al meer mogelijkheden hebben dan McKissick zegt, dat ze nu al een heel eind kunnen komen aan overwegend blanke universiteiten en in de ambtenarij van een overwegend blanke regering.

Maar de nieuwe negers antwoorden dat zelfs als ze zich kunnen opwerken, dat ten koste gaat van hun identiteit, ten koste van hun 'blackness', hun zwartheid. En dat is dan de emotionele, en vaak de onzakelijke en irrationele kant van Black Power. Er is iets negers aan de negers, zeggen zij. En dat gaat verloren door integratie. Het moet bewaard blijven door de zwarte gemeenschap in stand te houden.

Stokeley Carmichael is de kampioen van deze blackness, zonder ooit te willen zeggen wat het is. Dat kan niet. Het laat zich slechts aanvoelen en alleen een neger voelt het aan. Sommige elementen in deze blackness zijn toch wel duidelijk. Het houdt een keuze in vóór de proletarische cultuur die de meerderheid der negers eigen is, en tégen de verburgerlijking van de weinige geslaagde negers die, eenmaal in de middenklasse beland, verloren zijn voor een radicale strijdorganisatie. De omgangsvormen en uitingswijzen die de negers in de loop van hun historie van onderdrukte groep hebben opgedaan, moeten niet in schaamte worden afgelegd, maar bewust worden aangehouden als band met verleden en afkomst, als uiting van blackness.

 

'Roy Wilkins is wit', zegt een leider van COKE, doelend op de witte-boord-voorzitter van de NAACP, de grootste negerorganisatie, die duidelijk het stempel van de middenklasse draagt. Roy Wilkins is donker genoeg van huid, maar het tegendeel van een zwarte proletariër. Dus is hij 'wit', dat wil zeggen zonder blackness. De nieuwe beweging, zoals belichaamd in CORE en SNCC, is een klassenbeweging, bedoeld voor de zwarte arbeiders, gevormd door de zwarte studenten, proletarisch en antiburgerlijk van inslag. Er steekt meer in blackness: verbondenheid met de strijd van de gekleurde volkeren overal ter wereld, maar vooral in Afrika.

Waar bijna alles in de Amerikaanse geschiedenis voor de negers verwijst naar slavernij en rassenhaat, trachten de theoretici van de blackness nieuwe symbolen en helden te vinden in de geschiedenis van Afrika en van de zwarte emancipatiestrijd op het westelijk continent. Zij pogen het trauma van de negerhaat te genezen met een leer van zwarte superioriteit, of minstens van evenwaardig 'anders zijn'. Blackness betekent in één woord: zelfbewustzijn, besef van eigenwaarde voor wie daar nu van beroofd zijn in een geschiedenis van ontvoering, foltering en slavernij, in een bestaan van uitbuiting en discriminatie. Het is een poging tot genezing na een psychologische verwoesting die nu al eeuwen voortgaat.

Stokeley Carmichael is een geniaal uitbuiter van de onderhuidse gedachtenstroom in Amerika. Hij buit alle ondertonen van blackness en Black Power uit en zinspeelt subtiel en virtuoos op komend geweld. Hij is niet tegen geweld, zegt hij, maar of hij ervoor is, vertelt hij al evenmin. Dat hoeft ook niet, zijn gehoor heeft hem al begrepen. Geprest tot antwoord zegt Stokeley over gewelddadigheid: 'Riots work', opstanden hebben effect. Inderdaad, na elke uitbarsting van geweld maakt het plaatselijk gezag eindelijk ernst met huisvesting, scholing en werkvoorziening voor de bewoners van de getto's. Hoeveel schade ze ook aanrichten, materieel en in de verhouding tussen negers en blanken, als alarmsignaal blijken de rellen hoogst effectief.

Stokeley Carmichael wacht zich wel deze riskante tactiek openlijk uit te spelen. Hij laat alleen het woord vallen: 'riots'. Dat is genoeg, de blanke huivert en de neger heeft zijn fantasie van geweld en wraak. Maar ondanks de onmiddellijke - zij het beperkte - effectiviteit van rellen en ondanks alle opgehoopte agressie, komt het in de negerwijken eigenlijk nog verbazend zelden tot een uitbarsting.

De negerbeweging is radicaal geworden, onverminderd strijdlustig en minder bezorgd om wat de blanke medestanders wel eens zouden kunnen zeggen. Maar tegelijk winnen de extremisten terrein. Zij werken onmiddellijke verbeteringen tegen in een streven naar een verre en irreële eindoverwinning. Met hen wint ook het racisme onder de negers aan aanhang: een geloof in eigen meerwaardigheid, dat een haarzuivere afspiegeling is van het blanke superioriteitsgeloof. Die twee zijn van nu af onafscheidelijk. Maar nog, zelfs nu nog, hangt het af van de blanken en hun gezond verstand welke richting de negerbeweging gaan zal.