NRC 22 maart 1997

Een van de illusies die de mensen elkaar graag aanpraten is dat ze met elkaar in één elektronisch dorp leven en dat alles wat aan de ene kant van dat werelddorp gebeurt dadelijk bekend wordt aan de andere kant: de dorpspomp in het tijdperk van de totale communicatie. Misschien dat het opgaat voor de beursberichten en de weerberichten, voor de sportuitslagen, voor de bewegingen der hemellichamen en de reisroutes van de wereldleiders, voor de tijdingen van de roem en van de weelde. Daarmee is dan mondiaal wel het meeste gezegd.

De alledaagse wereld, het dagelijks bestaan is te gewoon om op te merken: even verderop hoort niemand er meer van. Nog een andere wereld, de omgekeerde wereld van de onmenselijkheid, is ook van verre veel te erg om aan te zien. Zelfs een massamoord die dichtbij gebeurde, onder de ogen van honderden Nederlandse soldaten, bleef aanvankelijk geheim. Het bewijsmateriaal werd weggemoffeld, de getuigen kregen zwijgplicht opgelegd in het begrijpelijk verlangen dat de toedracht nooit bekend zou worden. De commandant werd weggepromoveerd, de generaal werd weggepensioneerd en de minister, die bleef zitten waar hij zat. Daar zit hij nog. Tot deze woonwijk van het elektronisch dorp is het slechte nieuws blijkbaar nooit echt doorgedrongen. Van die massa-executies zijn dan ook geen opnamen vertoond, zelfs CNN keek even de andere kant op, 

Ook van de genocide in Rwanda bestaat nauwelijks beeldmateriaal en er waren geen verslaggevers of buitenlandse waarnemers bij aanwezig. De mensen die erbij waren zijn vermoord of waren zelf de moordenaars. Wie het kan navertellen was dus medeplichtig of heeft bij hoge uitzondering weten te ontkomen. Daarom is nauwelijks te reconstrueren wat daar toen is gebeurd, hoe die slachting zo om zich heen kon grijpen.

Van de oorlog die sindsdien in Oost-Zaïre woekert dringt maar heel weinig door tot de buitenwereld. De schattingen van het aantal Rwandese vluchtelingen in dat gebied liepen uiteen van vijftigduizend tot een half miljoen; de hulpverleners zetten hoog in want daar bestaan ze van, de rebellenleiders hielden het laag om Franse inmenging te voorkomen. Af en toe vloog hoog een helikopter over met waarnemers van internationale organisaties en de wereldpers. Wat er al die tijd in de rimboe werkelijk gebeurde was niet te achterhalen, daarvoor was het terrein te ontoegankelijk en te uitgestrekt, was de strijd te onvoorspelbaar om tijdig ter plaatse te kunnen zijn, en te gevaarlijk om van nabij te verslaan.
Niet dat het de verslaggevers aan moed ontbrak, integendeel; er waren zelfs waarnemers die zich nabij waagden en hulpverleners die pas op het laatst vertrokken. Als het doden eenmaal begint is het moorden of vermoord worden en daartussen is geen ruimte voor toeschouwers. 

De jungleoorlog heeft nu Kisangani bereikt dat zonder slag of stoot werd ingenomen. Ook daar zijn maar weinig verslaggevers getuige van geweest, al was de intocht lang van tevoren voorspeld. Het was te gevaarlijk.
Gewoontegetrouw hebben de regeringstroepen de stad geplunderd en gebrandschat en zijn vervolgens op de loop gegaan voor de opstandelingen. En de Servische huurlingen? Ook zij bleken rolvast in hun optreden. Net zoals ze dat tot voor kort in eigen gebied deden, ontliepen ze elk gevecht met gewapende tegenstanders. 'Ze hebben tientallen jongeren opgesloten en gefolterd, in het wildeweg voorbijgangers doodgeschoten en in koelen bloede twee zendelingen gedood.' Dat heeft de journalist van Le Monde (20 maart ‘97) vernomen van mensen uit de stad. 

Hoe ver en vreemd ook, Kisangani is veel westerse lezers vertrouwd. Zij kennen ook de taferelen van rebellie en terreur, vlucht en plundering die zich daar nog pas hebben voorgedaan. Het is immers de stad waar de roman A bend in the rivervan V. S. Naipaul zich afspeelt. Dat boek dateert van twintig jaar geleden. Het verhaal wordt verteld door een jonge Indiase handelaar die in de stad aan de rivier zijn geluk komt zoeken, of beter daar het ongeluk in zijn Indiase clan aan de Afrikaanse Oostkust wil ontvluchten. Hij arriveert in Kisangani als daar juist een rebellie is neergeslagen en hij vlucht tien jaar later als de stad opnieuw door opstandelingen uit het oerwoud omsingeld is.

Het zijn de jaren dat de 'Big Man' zijn gezag vestigt in dat chaotisch oerwoudgebied: Mobutu Sese Seko, in het boek een naamloze, verre maar constante presentie, alomtegenwoordig in zijn portretten en standbeelden en in het ontzag van de 'citoyens et citoyennes'. In hun angst gaan zijn onderdanen - zoals Naipaul weet over te brengen - langzaam aan en tegen hun zin van de verschrikkelijke potentaat houden: de liefde van mensen in onmacht voor de macht van de onmens. 
Niemand heeft zijn thuis in de stad Kisangani. De Afrikanen zijn maar voor tijdelijk weg uit hun dorp; de Aziatische handelaars zijn alleen gekomen om fortuin te maken en zich met dat geld ooit in een westers land in te kopen; de technici zijn op missie en logeren in het enige luxe-hotel; de academici zijn gastdocent en wonen in het afgeschermd 'Domein'. Iedereen leeft in voortdurende angst voor de opstandelingen die op een dag uit het oerwoud zullen oprukken en voor de terreur waarmee de 'Big Man' hen bij voorbaat wil bedwingen. Een Indiase winkelier zegt tegen de hoofdpersoon: 'Je kunt in deze situatie niet al je tijd in angst doorbrengen. Er kan iets gebeuren, maar je moet proberen daaraan te denken als aan een ernstig verkeersongeluk. Iets waar niets aan te doen is en dat overal kan gebeuren.' Maar er gebeurde niets, de uitbarsting bleef uit, elke nacht kwamen er aanvallen, vielen er een paar doden, maar het leek allemaal ver weg.

Het rebellenleger van Laurent Kabila beheerst nu Kisangani, in de Zaïrese hoofdstad Kinshasa heerst volstrekte verwarring, in een Franse villa ligt Mobutu Sese Seko te vergaan. De man die hem jarenlang vanuit Parijs in het geheim bespeelde, Jacques Foccart, overleed jongstleden woensdag. Altijd al werd Mobutu bestraald, met westerse wapens en westerse adviezen. Al die jaren straalde dat als bij toverkracht van hem af. Het werkt niet meer.