NRC 30 september 1995

Computers waren een kwart eeuw geleden manshoge en kamerbrede kasten met hier en daar een ruitje waarachter magneetbanden heen en weer flitsten. Ze stonden, gekoeld en bewaakt, in afgesloten ruimten waar slechts operators werden toegelaten. Hoewel ik toen dag in dag uit met die machines te maken had, kan ik me niet herinneren dat ik ooit in de eigenlijke rekenkamer werd toegelaten. Ik gaf een grote doos ponskaarten af bij het loket en na een paar uur lag die stapel kaarten er weer met ernaast een grote stapel harmonicapapier, waarop het programma was afgedrukt, met de resultaten. Dat programma had ik geschreven in FORTRAN, een computertaal. Als er op de vele tientallen, later honderden kaarten ook maar een komma of een haakje verkeerd stond, kwam na die urenlange wachttijd het hele geval terug met een foutmelding. En zo door totdat na dagen, weken, maanden het programma eindelijk functioneerde.

Het werd met die computers altijd nachtwerk en er waren nogal wat vreemdelingen, zonderlingen en minderlingen mee bezig, want de computer vergde het uiterste aan precisie en geduld, maar verlangde geen contactuele kwaliteiten en geen sociale vaardigheden.
Het grootste deel van de tijd waren de computers buiten werking, er was altijd wel een storing en als ze eens functioneerden, dan bleken de ingevoerde programma's fouten te bevatten. Er zijn met die machines zeeën, oceanen, stratosferen van tijd verdaan. En hoewel alles in beginsel op alles paste, klopte de aansluiting tussen twee machines in feite nooit. Die mooie zomermaand van een kwarteeuw geleden verdeed ik met het aan de gang krijgen op de IBM 360 van een programma dat voor de CDC 6400 geschreven was.
Na gedane zaken bekoelde mijn fascinatie met computers en jarenlang bemoeide ik me er niet meer mee. 'Woordmensen hebben er ook niets mee te maken', beweerde ik, 'want die machines rekenen en redeneren alleen maar.' Daar heb ik ongelijk in gekregen.

De eerste tekstbewerkers zag ik, opnieuw, in Amerika, in 1982. De gebruikers zaten elk aan een scherm met een toetsenbord dat verbonden was met de centrale computer waar de eigenlijke bewerkingen plaats vonden. Die computer was inmiddels een stuk kleiner, ongeveer zo groot als een koelkast en hij stond gewoon tussen de kantoormeubels. In datzelfde jaar zag ik ook de eerste personal computers. Er waren toen al kleine, draagbare exemplaren waarmee academici wegliepen: de Osborne en de Kaypro waarop met Wordstar teksten konden worden bewerkt. En even later verschenen de PC's van IBM in Nederland.
Eigenlijk is er maar één belangrijk verschil tussen een elektronische tekstbewerker en een schrijfmachine: met een computer kun je de tekst onbeperkt veranderen. Dat maakt het makkelijker om een tekst te beginnen en nog moeilijker om hem af te maken, want het kan altijd beter. Alle nieuwigheden die sindsdien zijn toegvoegd zijn snufjes die niets toevoegen aan de tekst in het tijdperk van zijn onbeperkte verbeterbaarheid.

Vervolgens zijn die afzonderlijke personal computers weer aan elkaar gekoppeld in netwerken, plaatselijk en wereldwijd. En daarmee is het briefverkeer teruggekeerd, dat onder het regiem van de telefoon aan het verdwijnen was: korte, losweg geschreven boodschappen die binnen een paar minuten op hun bestemming zijn; briefjes dus, maar dan heel snel. Eigenlijk heeft de fax dezelfde functie als die E-mail: op mijn computer kun je allebei ontvangen of versturen en zijn ze al vrijwel verwisselbaar.
Met die elektronische netwerken zijn nu ook de catalogi van de meeste grote bibliotheken in de wereld toegankelijk geworden. Dat is opzienbarend maar van minder belang dan de electronische toegang tot nabije bibliotheken waar je titels kunt zoeken en boeken kunt laten klaarleggen.

Het was te verwachten dat met deze technische ontwikkelingen de secretaresses zouden verdwijnen, want ieder typt zijn eigen werk van klad tot net. De pure typistes zijn inderdaad grotendeels verdwenen, maar het secretariaat is er kennelijk niet minder druk mee geworden.

Heeft die innovatie de mensen nu vrijgemaakt voor interessanter, creatiever bezigheden? Tot nog toe is er vooral veel tijd verloren gegaan met het invoeren en aanleren van telkens nieuwe programma's die in de eerste tijd allemaal gebrekkig functioneren. Sommige mensen beschouwen het installeren en instuderen van een nieuw programma op zich als een interessante en creatieve bezigheid, maar nog iets meer mensen worden er alleen maar doodongelukkig van.

Er gaat van die electronisering van het dagelijks leven een onontkoombare fascinatie uit. Niemand kan zich helemaal onttrekken aan het idee dat zich hier een nieuwe epoche aankondigt en dat wie daar niet aan mee doet al bij zijn leven onherstelbaar achterop raakt. Met rekenen is dat vast en zeker waar, maar met schrijven is er eigenlijk niets dat niet ook gedaan kan worden met een potlood, een vlakgom, een schaar en een pot lijm. Het voordeel van de elektronische post boven de telefoon is ook al minimaal. Maar het gaat niet zozeer om wat wordt opgeschreven en overgeseind, als wel om de connecties die daarmee gelegd worden. Met een potlood gaat het ook, maar elke redactie eist nu persklare ('camera ready') kopij in standaard opmaak gecodeerd met een alom gangbaar programma voor tekstbewerking. Wie nu nog geen elektronisch postadres heeft loopt kans te worden uitgesloten van het vooroverleg onder collega's en een buitenstaander te worden.

De nieuwe mogelijkheden leiden er ook toe dat steeds hogere eisen gesteld worden, bijvoorbeeld aan spelling, opmaak en presentatie. Dus wordt wat eerst een mogelijkheid voor weinigen was al gauw een noodzaak voor iedereen.