NRC 31 augustus 1985

De krant bespreekt maar wordt niet besproken. Theater, film, kunst en literatuur worden gerecenseerd, de televisie ook nog wel, van tijdschriften en zelfs weekbladen wordt in de krant een rubriek bijgehouden, maar besprekingen van kranten bestaan niet. Zijn kranten wel bespreekbaar? Bij elk dagblad zijn zo'n honderd journalisten in de weer die iedere dag een nieuwe afleve­ring maken. Elke dag een monsterproductie en elke dag première.

Een groot deel van wat in de krant verschijnt wordt kant en klaar geleverd door de persbureaus en de inhoud wordt goeddeels gedicteerd door de nieuwsfeiten van de dag. Wat telt als nieuws wordt langzamerhand vooral uitgemaakt door het televisiejournaal van acht uur: daar kijkt vrijwel iedereen naar en die berichten kan dus geen krant achterwege laten.

Er is in die kranten wel veel nieuws, maar niet veel nieuwig­heid. Bijna alles wat in de krant staat verwijst naar vorige nummers, is deel van een lopende serie. De meeste nieuwsberichten zijn afleveringen in een voortgaand verhaal en vereisen dan ook kennis van het voorafgaande. Maar ook de andere rubrieken veronderstellen stilzwijgend dat de lezer bekend is met eerdere bijdragen.

Dat maakt een krant tamelijk onbegrijpelijk voor iemand die haar voor het eerst ziet. Behalve voor het internationale nieuws zijn buitenlandse kranten dan ook uiterst ontoegankelijk zelfs voor iemand die de taal goed kent: de afkortingen zijn abacadabra en de cursiefjes niet te volgen.
Kranten zijn alleen voor ingewijden, maar de vaste lezers beseffen helemaal niet dat ze ooit ingewijd zijn. Wie een onbekende krant opslaat valt midden in een jarenlang en veelvoudig vervolgverhaal, zonder dat iets in de verteltrant hem waarschuwt dat hij veel gemist heeft.

De abonnee kent de weg in zijn krant, hij slaat driekwart over, of negen tiende, en weet op elke bladzijde feilloos wat en wie hij lezen wil. Een krant bestaat dus ook nog eens uit een verzameling van leespaden, waaruit elke abonnee zijn eigen route kiest.
Dat maakt kranten haast onbespreekbaar. Uit het dagelijks aanbod stelt elke lezer zijn lijfblad samen en hij heeft zich met die krant vertrouwd gemaakt in de loop van jaren. Een krant geeft dus gelegenheid tot gewoontevorming, het is een bundel leesgewoonten.

Toch moet een krant in haar geheel te typeren zijn. Er is een eerste, woordeloze indruk die te maken heeft met de papiersoort en de inkt, de koppen en de opmaak, de groezeligheid, de scherpte, de hevigheid of de ingehouden kalmte. En er is een formule, een dieptestructuur, een grondstemming die de hele inhoud van de krant doortrekt.
Zelfs iemand die geen woord Nederlands kent, maar die een beetje krantegevoel heeft, zou in de kiosk de dagbladen kunnen sorteren op hun uiterlijk: De Courant Nieuws van de Dag, De Telegraaf, Het Algemeen Dagblad, Het Parool, Trouw, De Volkskrant, NRC Handelsblad. Alle zeven goed. Dat is de juiste volgorde.
Maar van wat is het de volgorde?
Smoezeligheid heeft er iets mee te maken, en rommeligheid ook. Het gaat van slordig naar net. Maar ook van levendig naar braaf. Van avontuurlijkheid en afwisseling naar kalmte en afstandelijkheid. Het Nieuws van de Dag wil voddig zijn, om te lezen bij het eten, onder het werk, bij het stoplicht; wat er ook mee gedaan wordt, het is nooit zonde van de krant. De NRC Handelsblad wil bewaard worden, zinspeelt op boekdruk, op documentatie en archief.

Dit is nog maar de indruk van de analfabeet; er is nog geen letter gelezen, want dan wordt het nog moeilijker.
Er is nog een andere maatstaf: die van aanhaling en excuus.
Het kan gebeuren dat iemand zich betrapt voelt met De Telegraaf: die leest hij dan alleen voor de annonces of om zich te ergeren aan de showpagina. Voor de Telegraaf dient men zich soms te excuseren, in de lezerskring van de Volkskrant en NRC Handelsblad. Maar omgekeerd kan men juist eer in leggen door die kranten aan te halen in andere lezerskringen ('Ik las laatst Hermans nog over Céline in het CS). De volgorde is er dus ook een van het aanzien dat de krant verschaft.

Maar waarvoor worden de lezers van die kranten dan aangezien?
Ze worden aangekeken op hun culturele vorming. Hun krant is een cultureel identiteitsbewijs. En daarin verwijst de ene krant naar de andere, vormen zij te zamen een systeem van verwijzingen en in dat stelsel is een abonnement een positiekeuze. Met partijpolitiek heeft dat alles wel iets te maken maar niet rechtstreeks. Met zijn krant kiest men zich een plaats in een culturele rangschikking, van laag naar hoog, van ongeschoold tot gevormd.

Die keuzevrijheid is maar heel beperkt, maar ze bestaat. In de meeste sociale posities heeft men zich maar te schikken: aan een inkomen kan iemand maar weinig veranderen, het opleidingsniveau is na gedane zaken niet veel meer te verhogen en daarmee ligt de maatschappelijke plaats al voor een groot deel vast. Maar die dagbladen zijn overal verkrijgbaar en ze ontlopen elkaar nauwelijks in prijs, er is geen ballotage en diploma's worden niet gevraagd. Of toch?
Kan een leraar zich permitteren alleen De Telegraaf te lezen of moet er minstens Trouw of De Volkskrant bij? Zou hij het kunnen opbrengen om elke dag op zijn nuchtere maag het Algemeen Dagblad door te nemen zonder het onder-ons-gevoel te genieten dat de NRC Handelsblad zijn slag elke avond verschaft? Zou hij nog wel ernstig genomen worden als hij niet op de hoogte bleef - dat is dus op het voor hem gepaste cultureel niveau?

De fabrieksarbeider die geen zin heeft in Het Nieuws van de Dag en tijdens het schaften NRC Handelsblad inkijkt, wordt een lezend verwijt aan zijn collega's, maakt hen minder door zich cultureel hoger te plaatsen. Hem wordt op zijn hoogst eens in de week Vrij Nederland gegund. Zo houden de mensen elkaar op hun plaats.