NRC 7 september 1985

Kranten kunnen gerangschikt worden van hoog tot laag. De NRC heb ik bovenaan gezet en Het nieuws van de dag onderaan, op gezag van een denkbeeldige analfabeet die alleen maar afging op de eerste aanblik van slordigheid of netheid, levendigheid of kalmte in de opmaak. Die ordening van landelijke dagbladen klopte ook met het aanzien dat elke krant haar lezers verschaft: met hoge bladen wil men gezien worden en voor lage bladen heeft men de neiging zich te verontschuldigen. De kranten maken deel uit van het Nederlands cultuurstelsel dat ook al strikt van hoog naar laag geordend is.
Ik sla De Telegraaf op van afgelopen woensdag. Veel koppen, veel kaders en lijntjes en vooral veel foto's. En wat opvalt, de berichtgeving gaat over herkenbare mensen: Van den Broek wordt door zijn vrouw van het vliegveld afgehaald, de nieuwe paspoorten worden getoond 'door de heer P. Uiterlinden', en de koningin, geportretteerd over vier kolom, 'drinkt staande een kopje koffie', zoals het onderschrift vermeldt.
De nieuwsfeiten worden in de koppen al vertaald in herkenbare meningen en gevoelens: 'Hinderwet-lijdensweg verdwijnt', staat boven het bericht waar de krant mee opent. En: 'Fiscus zit caravan-verhuurders op hun dak'. Zo weet de lezer meteen wat hij ervan denken moet.

Veel bekende gezichten, veel korte berichtjes en aansprekende koppen, dat alles wekt de suggestie van een wereld in hevige beweging. Maar die heftigheid blijkt bij nader inzien toch maar kleine beroering: 'Tjonge, jonge, 't is me wat', kun je de lezer horen mompelen. Het is allemaal heel erg, het gebeurt vlakbij, maar het gaat allemaal ook gauw weer over. De lezer raakt licht betrokken bij een bericht en wordt ook snel weer afgeleid door iets anders. De artikelen gaan over aanwijsbare mensen, bijzondere voorvallen, en niet over onzichtbare instanties of ongrijpbare ontwikkelingen. De krant meldt een opeenvolging van losse incidenten, maar pretendeert niet om daartussen een verband te leggen. De indeling is er vooral een volgens sympathieën: aardige tegenover onaardige mensen (dat zijn vooral 'arrogante' politici en artiesten); zielige mensen (slachtoffers van het noodlot of van onrechtvaardige bejegening) tegenover hardvochtige mensen (geweldscriminelen en drugshandelaren). Er is een nauwelijks verholen sympathie voor zakenlieden die in het nauw geraakt zijn, zelfs als ze het er ook wel naar gemaakt hebben: het 'onrecht' door Justitie aangedaan aan een voormalig souteneur en bankroetier wordt breed uitgemeten.

Daarmee lijkt de krant in te gaan tegen het overheersend sentiment onder de lezers, die toch in meerderheid lonntrekkers zijn. Maar doordat de zakenman wordt voorgesteld als een kleine sappelaar tegen de verdrukking in, kan ook de lezer in loondienst zich met hem vereenzelvigen. (De Telegraaf trekt zich wel vaker niet veel aan van de vermoedelijke voorkeuren van de lezers: het blad is veel rechtser dan het meerendeel van de abonnees).
De Telegraaf verleidt zijn lezers tot kijken en bladeren, voert hen van het ene korte bericht naar de andere rubriek, confronteert hen met krachtige opinies en sterke voorkeuren.


Dat is de oppervlakte van het blad: incidenten, korte kennismakingen, vluchtige emomties. Maar het is de buitenkant.
Achter elk boulevardblad in Nederland verbergt zich een serieuze krant en ook De Telegraaf is een doodernstig blad. De parlementaire berichtgeving en de economische pagina's veronderstellen bij de lezer kennis van zaken en belangstelling voor de feitelijke kwesties van de dag. Al op de voorpagia staan een drietal volstrekt zakelijke berichten, zonder illustratie, opsmuk of uitroep. Maar zodra de partijpolitiek in het geding is, geeft de krant veel meer ruimte aan verwante standpunten dan aan die van de tegenpartij. Partijdig is De Telegraaf door en door, maar lichtzinnig niet echt.

In De Telegraaf voeren vermaak en verontwaardiging de boventoon: dat zijn de stemmingen van de populaire journalistiek. Maar van de ene kolom naar de andere, van het ene bericht naar het andere kan de toon omslaan naar gedegen, feitelijke berichtgeving (met soms een valse noot van vooringenomenheid). De lezer heeft eigenlijk twee kranten door elkaar in handen en kan naar believen van de ene naar de andere schakelen.
Maar, vreemd genoeg, ook het wufte gedeelte van de krant vereist nogal wat vorming bij de lezer. De showpagina en de sportbijlagen zijn voor niet-kenners onbegrijpelijk. Voor de een moet de lezer op de hoogte zijn van de artiestenwereld, de televisieseries en de lopende films. Voor de andere moet hij de competitie bijhouden en de wedstrijden volgen op de tribune, of minstens op het scherm.

Toch zijn dit de laagste onderdelen van de krant, waar de lezer misschien wel veel plezier aan beleeft, maar niet veel eer mee inlegt. Wie alleen de sportpagina leest of de Privérubriek beweegt zich op de bodem van het Nederlandse cultuurstelsel. Niet omdat hij onwetend zou zijn, want ook die lectuur vereist kennis van zaken, maar omdat die kennis in het geheel niet telt.

In de wereld van de sport en van het amusement wordt men niet ingewijd op school, maar op straat, in de bioscoop, op het veld en de tribune en vooral voor de televisie. Die kennis wordt niet onderwezen, maar opgedaan. Het is vooral feitenkennis: namen, titels, rollen, uitslagen, grote scènes en grote momenten. Maar dat geldt voor de meeste schoolkennis net zo goed.

Kennis van de sport of van het amusement is terloops verworven; een spontane eruditie, geen schoolse vorming, maar juist ongeschoolde. Het is kennis waarvan niemand is uitgesloten, die overal voor het oprapen ligt, en die daarom als vulgair geldt tegenover de esoterische kennis waartoe de school opleidt.

In zijn populaire gedeelten negeert De Telegraaf uitdrukkelijk alles wat naar die hogere vorming verwijst en plaatst zich haast triomfantelijk onderin het Nederlandse cultuurstelsel.