In Nederland leeft misschien een half dozijn schrijvers van wat de literatuur ze opbrengt: Van het Reve, Mulisch, Vestdijk, Wolkers en nog een paar. Dan zijn er een tiental schrijvers in het populaire genre van streekromans en detectives die van hun oeuvre alleen kunnen bestaan. Verder zullen nog een dertig of veertig auteurs een voldoende inkomen ontvangen van hun school- en handboeken. Alle andere schrijvers moeten bijverdienen in de journalistiek, de kritiek, bij radio en televisie, met tekstschrijven voor reclame, met vertalen, of gewoon op kantoor.
De schone letteren brengen in Nederland bij nog niet een dozijn gezinnen brood op de plank, dichters en essayisten meegerekend. Dat is een schatting, maar een gefundeerde.

In Amerika leven vele duizenden auteurs van wat hun geschriften ze opbrengen. Daarvan zijn veel meer dan duizend romanschrijver. Dat is ook een schatting, maar een ongefundeerde. Het is ook niet eenvoudig cijfers te vinden. In Amerika is de hoge literatuur veel minder scherp afgegrensd tegen het populaire genre dan in Holland. De journalistiek is er al evenmin duidelijk gescheiden van de literatuur.

In Amerika is schrijven een ambacht, de schrijver een kleine zelfstandige, ongeacht wat nu precies zijn genre is. Vandaar dat goede journalisten geregeld in boekvorm publiceren: William Manchester over de moord op Ken-nedy, Bernald Fall over de oorlog in Vietnam, James Reston over politiek in Amerika, zijn recente voorbeelden. Omgekeerd is het vanzelfsprekend dat literatoren aan krant en tijdschrift meewerken; schrijven is immers hun vak en de redacteuren zijn uit op vakwerk. Minstens een dozijn tijdschriften verschijnt elke maand met een oorspronkelijk kort verhaal of een opstel door een gerenommeerd auteur. De schrijver ontvangt daar een klein jaarloon voor. De New Yorker geeft vijfduizend dollar en meer voor een bijdrage, Playboy en Esquire blijven daar niet ver onder. Dat betekent werk, populariteit in brede lezerskring en een regelmatige verdienste voor een groot aantal auteurs. Dergelijke tijdschriften zijn niet erg avontuurlijk in de keus van hun medewerkers, ze vragen meestal alleen gevestigde talenten, maar die gunnen ze dan ook alle vrijheid.

Een schrijver wiens boek het behoorlijk doet, kan er een jaar of tien van leven. Het potentieel aantal lezers is zo enorm groot dat zelfs na jaren de royalties nog blijven binnenkomen. Een boek dat een paar weken bovenaan op de bestsellerslijst staat, verlost de schrijver voor de rest van zijn leven van alle geldzorgen: feuilletonrechten in Life of Look, elk met y| miljoen abonnees, een aparte editie voor een grote boekenclub, de filmrechten, na verloop van tijd een miljoenenoplage in pocketformaat. Dit alles nog afgezien van de verkoop van rechten naar het buitenland. Een dergelijke verkoopstrategie heeft auteurs als Vla-dimir Nabokov, Norman Mailer en Truman Capote miljonair gemaakt. Dat kon zonder dat ze hun hoogst persoonlijke stijl hoefden te versnijden.

De Amerikaanse auteurs profiteren van de besparingen van de produktie in het groot: één tekst kan onbeperkt vermenigvuldigd worden met gelijkblijvende of zelfs dalende reproduktiekosten. De afzetmarkt van alle Engelstaligen is ruim genoeg om zaken te doen in grote stijl. Dat verklaart voor een groot deel de bloei van de literaire industrie in Amerika.

De uitgevers richten zich bovendien bewust op een snel gegroeid en nog sneller groeiend publiek van studenten en afgestudeerden, die uit smaak of plichtsgevoel belang stellen in literatuur. Het zijn deze zelfde lezers die in nog veel grotere getale afnemers zijn van historische lectuur - niet alles gaat over Kennedy - en van boeken over psychologie en psychiatrie - niet alles gaat over seksualiteit.

Voor schrijvers geen staatssubsidie in Amerika. Toch is niet alles aan het particulier initiatief overgelaten. De grote beschermer van de literatuur is de universiteit. Honderden schrijvers zijn verbonden aan Ameri-ka's tweeduizend colleges en universiteiten. Zij geven les in 'creatief schrijven', een leervak in Amerika, of in literatuurgeschiedenis, of ze zijn ingehuurd om op kosten van de universiteit eens een jaar voor zichzelf te werken als author in residence, tot meerdere glorie van de universitaire gemeenschap. John Hersey, de auteur van De Muur en Hiroshima is bijvoorbeeld Master van een college in Yale, zeg, hoofd van een studentenwoonhuis, een sinecure die hem alle tijd geeft om te schrijven.

Een positie aan de universiteit of een beurs van één van de grote stichtingen maakt het een schrijver mogelijk zich los te maken van de eisen van de literaire markt. Hij kan een paar jaar besteden aan de voorbereiding van een nieuw boek en ook als zijn boeken niet zo goed verkopen, kan hij zich toch blij ven wijden aan de literatuur. Voor dichters is dit - ook in Amerika - nog steeds vrijwel de enige oplossing. Wie nog niet de aandacht van de kritiek heeft weten te trekken kan niet rekenen op de steun van uitgevers, universiteiten of stichtingen. Beginnende schrijvers hebben het in Amerika minstens zo moeilijk als ergens anders. Zij hebben alleen meer om op te hopen.