New York City ligt in de uiterste zuidpunt van de staat New York, die naar het westen uitloopt tot de grote meren en de Niagara watervallen en in het noorden grenst aan Canada tot even onder Montreal. Het lijkt alsof in deze puntzak de mensen, de auto's en de fabrieken allemaal onderin zijn gezakt naar de smalle slurf bij de zee. Hogerop kalmeert het landschap, maar eerst komen nog de vele voorsteden, zonder kern en zonder sfeer. Elke stedeling heeft in die dorpen voor zijn spaarcenten een stuk grond willen kopen, een huis met een tuin en een garage en bomen in de straat, kortom de droom van ieder stadsmens. Maar de droom van zijn buurman houdt hem uit zijn slaap. Er is te weinig groen en de tuintjes zijn te zuinig om aan vrije natuur te kunnen geloven, er zijn te weinig winkels, de theaters zijn te ver om de genoegens van de wereldstad te kunnen beleven.

Voorbij de voorstad wordt New York opeens een staat, een land en dus een landschap dat geleidelijk gaat glooien en heuvelen. Het heeft laag bos, korenvelden, struikgewas en dan verrast het met beekjes en meren. In het noordoosten ligt het nationale park, de Adiron-dacks. De plaatsnamen worden daar Indiaans en Frans en Hollands, alsof Engels te stedelijk is om er een landschap mee te benoemen. De brede streep die zo'n haast heeft om van New York naar Montreal te komen, houdt op en wordt een met onzekerder hand getrokken lijn, een weg langs Lake Champlain en dorpjes als Valcourt en Keeseville. Zes jaar terug was dit een drukke route langs doorgangsplaatsjes en vakantieoorden. Nu ligt de snelweg tien mijl verderop. De dorpssfeer komt terug in dorpen met teveel lege motels en inns, teveel reclames waarvan de verf al af begint te bladderen.

Wat de Amerikanen met hun landschap doen, is onvoorspelbaar. Soms lijkt een dorp alleen bewoond door schillen en dozen, door drive-in cafetaria's en benzinestations. Elk struikje moet kapot, blad en tak eraf en dan opgesierd met neon. Een diepe kloof waarin een riviertje onderduikt, wordt voor iedereen verborgen door een reusachtig bord dat reclame maakt voor een diepe kloof waarin een riviertje onderduikt. Alle informatie staat op dat bord ordelijk aangegeven: jaar van ontdekking, lengte van de kloof in yards en toegangsprijs tot het natuurwonder. De toeristen stoppen en lezen het aandachtig in ontzag voor zoveel moois. Vlakbij staat een restaurant met souvenirwinkel. De ansichtkaarten zijn in kleur en moeten dus wel lijken. Verderop langs de route is een groot stuk bos wegge-kapt om het uitzicht vrij te maken voor een ander reclamebord dat de kinderen toeroept dat hier het dorpje North Pole ligt, de verblijfplaats van Santa Claus. In de nabijheid gaat een kabelbaan de heuvels in: veiligheidshalve is juist onder en opzij van de baan alle gewas uit de grond gerukt.

Zelfs als het publiek naar de natuur komt kijken, moet die eerst verwoest voor het landschap aanschouwd mag worden. Dat is de barbaarse aanmatiging van de exploitanten. Een uitverkoop van het landschaps-schoon: 'Alles moet weg', tot eindelijk ook de toeristen verdwijnen.

Zo gaat het toe in de ene plaats. Maar drie mijl verderop ligt dan een ander dorp eerbiedig geschaard rondom het grote witte huis van wie weet welke familie die zich hier wie weet in welke eeuw gevestigd heeft. Niemand waagt het een hand uit te steken naar de oude huizen, de grasvelden blijven ongerept en vers gemaaid. Midden in het dorp staan oude bomen, iedereen is gek met witte verf en als het gras niet groen is, zwaait er wat. Toeristen zijn welkom, maar alleen in de country-clubs; daar speelt men golfen ziet neer op de wereld.

Een halve eeuw geleden moet het gevecht begonnen zijn: Wat te doen met die opgewonden standjes uit de grote stad, die geld hebhen, buitenhuisjes bouwen willen, coca cola drinken en ijsco's eten? Het was een verwoede strijd en soms won de familie uit het Huis door goede woorden en betere relaties. Dan bleef het dorp wat het was en het kerkhof met het graf van oudoom William, gesneuveld in de burgeroorlog, bleef midden in het dorp, afgeschut door een ligusterhaag. In het dorp vijf mijl verderop werd dezelfde strijd gestreden, maar won de andere partij, de winkelier begon een restaurant en de pachterszoon werd hotelier. De New Yorkers kwamen, kregen hun eerste les in vakantie en natuurgenoegens, en in de wijde omtrek werd elk plantje de grond in getrapt om plaats te maken voor een ontspanningscentrum.

Alle begin is moeilijk. Na twee generaties stadsleven in een woonkazerne kan niemand meteen het landschap in. Er zijn voorposten nodig met ijstenten en niet teveel onaangekleed struikgewas om de overgang wat te matigen. Later krijgen de stedelingen meer moed op het land. De kinderen van de bermtoeristen durven al de heide op. Hun ouders verborgen zich nog achter camera's en keken thuis geschrokken naar wat op het plaatje stond. De nieuwe toeristen wagen het al om met onbeschermde ogen te kijken. Zij hoeven niet meer gerustgesteld door borden en gidsen die ze vertellen wat ze met eigen ogen zien. Opeens zijn de toeristenoorden met hun lelijkheid van souvenirs en panorama's ouderwets. Nieuw is om te gaan kijken wat er al was, zoals het was. De meren, de heide en de bossen, zoveel en zo uitgestrekt dat er voor ieder van de honderden miljoenen nog steeds genoeg is om alleen te zijn.