NRC 5 augustus 1995

Ook in Nederland bestaat een leergezag. Er zijn instanties die bepalen wat de mensen weten moeten. De Hoge Autoriteit voor de Herseninhoud is in dit land de minister van onderwijs die beslist over de schoolexamens, daarin bijgestaan door de onderwijsraad en de schoolinspectie.

De exameneisen vormen een korte inhoudsopgave van het geschoolde Nederlanderschap: wat iedere ingezetene na tien, vijftien jaar vorming moet weten. Dat is de algemeen bekend veronderstelde kennis. Ieder die praat of schrijft schat daar het begrip bij zijn publiek mee in. Iemand die van die wetenswaardigheden er een mist probeert dat te maskeren en geneert zich (of koketteert ermee). En anderzijds is het ongepast om zo'n algemeen bekend verondersteld feit of inzicht toe te lichten of uit te leggen, want daaruit blijkt allicht een geringschatting van het gehoor.

De eisen voor de schoolexamens geven aan wat de Nederlanders van elkaar denken dat ze weten. En daarbij hoort ook de notie dat met die schoolexamens Nederlanders zijn ingedeeld in verschillende categorieën; het laatste klasseverschil dat nog rest is het onderscheid in scholing. De examens bepalen wat men geacht wordt te weten en dus wat men geacht wordt te zijn, van hoog tot laag: academicus, HBO-er, VWO-niveau, HAVO-klant, MAVO-geval, ongeschoolde (met nog altijd zes tot negen jaar scholing). Wie zich een indruk wil vormen van de ontwikkelingen in de Nederlandse culturele identiteit, waarover tegenwoordig zoveel en zo gretig wordt gesproken, zou die het beste kunnen onderzoeken door de exameneisen van de laatste honderd, honderdvijftig jaar te achterhalen.

Ik kom erop, omdat in de krant stond dat de onderwijsraad had geadviseerd en het kabinet had besloten dat op de examens geen vragen over de evolutietheorie meer mochten voorkomen. De Raad dacht dat het net zoiets was als abortus en dat Christenkinderen daarvan in de war zouden raken. Maar abortus is een ingreep en de evolutieleer een wetenschappelijke wereldbeschouwing. De Koninklijke Akademie en het Instituut voor Biologie hebben al uitgelegd dat die theorie onmisbaar is voor elk begrip van de levenswetenschappen.

Maar het belang gaat verder dan dat. De evolutietheorie toont aan dat een uiterst complexe en zeer geordende structuur kan ontstaan zonder dat iets of iemand dat bedoeld, voorzien of zelfs maar beseft heeft. Dat ordenend en structurerend beginsel is bij Darwin de natuurlijke selectie onder druk van de onderlinge concurrentie om het voortbestaan. Maar de grondgedachte van de onvoorziene en onbedoelde ordening was al eerder ontwikkeld, in de economie, door Adam Smith en de zijnen: Ook in de samenleving is concurrentie uit overlevingsdrang of uit winststreven de drijvende kracht en de 'verborgen hand' die orde schept in de samenleving.

In hetzelfde jaar als Darwin's The origin of species, in 1859, verscheen van John Stuart Mill het opstel On liberty, dat ook al uitging van een vrije concurrentie, in dit geval tussen opvattingen, waarbij - dacht Mill - op den duur alleen de meest geldige ideeën zouden overblijven.

De gedachte die aan de evolutieleer ten grondslag ligt, de notie van een niet geschapen, niet bedoelde ordening, is ook een kernidee van de sociale wetenschap èn een fundament van markteconomie en meningsvrijheid. Dat maakt die gedachte geen snars meer of minder waar, maar wel belangrijk: volstrekt onmisbaar voor enig inzicht in wetenschap en samenleving. Beter is het om een kind dagelijks met een houten hamer op het hoofd te slaan, nee, minder erg is het om op het hoogtepunt van de epidemie een kind de poliovaccinatie te onthouden, dan een opgroeiend mens onwetend te laten van de evolutietheorie. Wie de theorie van Darwin niet mag leren moet levenslang in het volle licht staan met uitgestoken ogen.

Maar, helaas, de evolutionaire gedachte van de onbedoelde, onvoorziene orde lijkt regelrecht in strijd met de religieuze opvatting dat de wereld Gods schepping is en dat hij in zijn voorzienigheid met de mensheid een heilsplan voorheeft. Vandaar dat het leerstuk dus maar van de examens is afgevoerd.
Toch is die strijdigheid met het godsdienstig dogma niet onontkoombaar. Er is een redenering die uitweg biedt: Wie weet heeft het God behaagd de wereld zo in te richten dat het lijkt alsof het heelal vijftien miljard jaar geleden in één oerknal is ontstaan, dat het lijkt alsof levende organismen uit dode materie voortgekomen zijn en dat het lijkt alsof de mensen afstammen van andere primaten. De wereld als schijnvertoning, de wetenschap als waanvoorstelling, het is een intellectuele vluchtweg die al vóór Darwin werd gevonden om de dreiging van de nieuwe geologische inzichten van toen te bezweren.
De rechtgelovige zou ademloos benieuwd moeten zijn naar de laatste bevindingen van de wetenschap, omdat daaruit blijken kan hoe God de mensheid wil misleiden, en dat biedt inzicht in de goddelijke geestesgesteldheid. Maar de ware gelovige is in de wetenschap helemaal niet geïnteresseerd en in de theopsychologie eigenlijk ook niet.

Het gaat hier niet om God, maar om het eindexamen, waar de evolutietheorie als verplicht onderdeel uit verdwenen is. Daar heeft het vorig kabinet, met het CDA er nog in, een begin mee gemaakt voor VWO en HAVO, en deze onchristelijke coalitie zet de maatregel verder door naar MAVO en VBO, 'omdat dit kabinet zonder christelijke partijen wellicht wil voorkomen dat christelijke groeperingen voor het hoofd worden gestoten.'

Daar heb je weer zo'n onbedoeld gevolg: je stemt op een partij die nu eens wèl aan de macht komt, maar die net het omgekeerde doet van wat ze belooft, omdat het anders zo sneu is voor de mensen die er niet op gestemd hebben. Of is dat in dit geval juist een bewijs van Gods heilplan met de wereld?