NRC 12 juli 1997

Een week of wat geleden ging het debat in de kranten en de Kamer over het onderwijsprogramma in het middelbaar, althans secundair, althans voortgezet onderwijs. Wat moeten de kinderen daar leren? Geschiedenis! Uit een onderzoekje was gebleken dat de Kamerleden daar niet veel van wisten. Dan kunnen scholieren dus ook wel met wat minder toe. Maar nee, men besloot juist dat de scholieren dus nog méér geschiedenis moesten leren.

De rekenvaardigheid van de parlementariërs bleef wijselijk ongetoetst. Iedereen wist zo al wat de scholieren nog meer méér moesten leren: wiskunde. Pardoes werd het wiskundeonderwijs zo ongeveer verdubbeld, en zelfs alpha's die zich al meer dan honderd jaar in talenstudies hadden verstopt, krijgen van nu af aan dwangonderricht in de mathematiek. De wiskunde wordt namelijk steeds onmisbaarder in de moderne samenleving.

Maar wordt de wiskunde wel steeds onmisbaarder in de moderne samenleving? Nee, de wiskunde wordt steeds overbodiger, naarmate de moderne samenleving moderner wordt. Dat is nu precies de historische triomf van het mathematisch en mechanisch wereldbeeld. De mensen zijn omgeven met apparatuur die functioneert volgens de beginselen van wiskunde, elektronica en mechanica, maar van al die vakken hoeft niemand een snars af te weten om de apparaten te kunnen bedienen. Het genie van het technisch ontwerp maakt alle begrip bij het gebruik van de techniek overbodig. Alleen de ontwerpers moeten er iets van begrijpen en dat leren ze later wel, in specialistische opleidingen.

Ondertussen gaat het al heel lang en steeds meer om een andere vaardigheid die ik maar zal omschrijven als 'tactiele intelligentie', waarbij het juist niet gaat om het manipuleren van begrippen, maar om het hanteren van dingen. Bij moderne dingen moet je dan op knopjes drukken: precies wat ik nu zit te doen.

Moderne techniek vereist denken met de handen. Jaren geleden was ik de bauxietmijnen gaan bekijken in het Surinaamse binnenland. Een norse neger in een gescheurde broek, opgehouden met een stuk touw, bestuurde daar heel alleen een huizenhoge graafmachine. Onder zijn handen hapte het gevaarte kieskeurig het erts uit de grond en deponeerde het nauwgezet in de wachtende vrachtwagens. Hij was zo uit de kano de cabine ingestapt. 

Van Djakarta tot Dakar besteden straatjongetjes die nog niet eens hun naam kunnen schrijven hun bijeen gebedeld geld in de speelhal, waar ze met razende snelheid en volmaakte finesse racewagens over het scherm laten schieten die ze van hun levensdagen in het echt niet zullen zien, laat staan dat ze er ooit een zouden mogen besturen. Maar ze hebben het al wel volmaakt in de vingers.

Zij denken met hun ogen en hun handen, maar volgens een heel ander beginsel dan dat van de levende natuur die hun van oudsher vertrouwd is. Dieren hebben een eigen zin, de wind waait waar hij wil. Machines gehoorzamen de mechanica, de logica, de mathematica, wat zeg ik, de cybernetica, zij zijn niet anders dan de in materie gestolde rede. Elektronica is nog meer machine, met minder materiaal. 

In de jaren zestig moest je nog een programmeertaal leren om met computers om te kunnen gaan, en je had matrixalgebra nodig om een factoranalyse uit te kunnen voeren. Amper dertig jaar later hoef je maar een pijltje te manoeuvreren naar een plaatje op het scherm en het resultaat komt met kleurige grafieken in beeld. Daar komt geen wiskunde meer aan te pas. 

Op de lagere school gebruiken de kinderen rekenmachientjes waarmee ze, lees ik in de krant, veel beter overweg kunnen dan hun onderwijzers. Maar, wordt daar zorgelijk bijgezegd, de onderwijzers moeten op cursus om beter te leren omgaan met die calculators en de kinderen moeten leren om ze 'met ínzicht' te gebruiken. Inzicht? Waarin? Toch niet in de micro-electronica die binnen een paar milimeter kubiek al die rekenkunde behelst - dat is zelfs te moeilijk voor ingenieurs. Waarin dan? Ze moeten inzicht krijgen in de wiskunde. Maar waarom? Wie uit zo'n machientje het juiste antwoord weet te krijgen heeft blijkbaar het juiste inzicht al, zo iemand spreekt en verstaat de taal der knoppen. Wat van de kinderen verlangd wordt is niet dat ze kunnen rekenen, want dat kunnen ze al met dat machientje, maar dat ze kunnen vertellen hoe dat rekenen gaat. Dat is iets heel anders en het is niet noodzakelijk.

De moeilijkheid is dat conceptuele denkers niet begrijpen hoe het tactiele denken werkt, omdat het nu eenmaal niet zichzelf verklaart met concepten maar zich bewijst in het doen.
Ondertussen zijn overal mensen met machines bezig, ze spelen ermee, maken er muziek en films op, hanteren ze naar het hun uitkomt. Dat leren ze van elkaar en van de machines, maar niet op school. Want daar wordt hun vaardigheid voor handigheid aangezien, en die geldt niet als ware kennis of echt inzicht. Dat is jammer voor al die scholieren die het wel in hun vingers hebben, maar niet kunnen verwoorden. Die gaan nu zonder diploma's van school af en zullen maar al te vaak niet mogen werken met de geavanceerde apparatuur waarmee ze zo goed overweg kunnen. 

Nu pas blijkt ook dat het schaakspel al die tijd al een imaginaire machine was, gebaseerd op een strikte logica maar gespeeld op de tast, door met de stukken te schuiven, en niet door de zetten op grond van de regels in hun onverbiddelijke afloop te overzien. Nu de rekenmachine het schaken overneemt, bereikt het spel daarmee eindelijk zijn oorspronkelijke bestemming. 

In een interview in het blad Amerika beschrijft Hofland zijn schrijverswerk als een schaakspel. De pionnen zijn de korte stukken, de essays zijn de lopers. De boeken zijn de koning en de koningin. U zult het voorlopig moeten stellen met het pionnenspel van de grootmeester, twee pagina's verderop. 

Ik ga weer eens aan een eindspel werken. Dit is de laatste van Mijn zinnen.