Wat  er voor één dollar te koop is: zes grote ijsco's, drie pakjes sigaretten of twee paar wollen sokken; een kaartje in een buurtbioscoop, een jockeypetje, of een grote affiche van Marlon Brando; of een broodje met worst en een kop koffie en een groot glas cola en een taartje en voor wie nog lust een appel toe en dan is er ook nog een dubbeltje over voor de fooi. De ene keer is een dollar bijna onuitputtelijk in koopkracht - twee dozijn eieren of acht pakjes shag - ergens anders is het een min papiertje waarvoor de winkeljuffrouw niet eens van haar stoel komt: in een antiekzaak of een kantoorboekwinkel.

Reparateurs en monteurs beginnen niet onder de vijf dollar, artsen en apothekers ronden hun rekeningen op tien dollar af. Alles wat op maat gemaakt wordt, of het nu kleren zijn of dat het dienstverlening betreft, is veel duurder in Amerika dan elders.

Artsen, kappers, maatkleermakers, garagehouders, timmerlieden verkopen arbeidstijd en dat is peperduur in de VS. Het is heel moeilijk om een nieuwe carburateur te laten monteren en het is vrijwel onmogelijk om de dokter naar een ziekbed te krijgen.

Huisschilders en tuinmannen bestaan niet meer voor de gewone gezinnen. De mensen verdienen zoveel dat hun diensten onbetaalbaar geworden zijn zelfs voor hun medemensen die al evenveel verdienen.

De welgestelde Amerikanen hebben er het geld niet voor. Dus doen ze het zelf. Dat is de armoede van de welvaart.

De consumenten bewaren hun dollars om er massa-produkten mee te kopen, want die zijn verhoudingsgewijs goedkoop. Alles wat van de lopende band komt, wat voor iedereen hetzelfde is, kost weinig, is goed en constant van kwaliteit. Voor honderd dollar is er keus uit tien modellen zwart-wit televisie. Voor de helft is, een FM-radio te koop, voor tien dollar een goed fototoestel. In een radio, foto- of huishoudwinkel is een dollar opeens vijf gulden waard.

Duurzame consumptieartikelen worden in serie gemaakt, in gigantische hoeveelheden, in perfect georganiseerde en ingerichte fabrieken. Maar in een groentewinkel is een dollar niet veel meer dan een Hollandse daalder. In een bloemenwinkel is een dollar niet eens twee kwartjes waard. Daar gaat het om artikelen die veel aandacht eisen en niet machinaal gemaakt kunnen worden. Kippen worden wel in fabrieken opgefokt. Dus is één dollar zeker vier gulden waard bij de poelier.

Het is onbegonnen werk om uit te maken hoeveel een dollar eigenlijk waard is. Drie gulden zestig, de officiële koers, lijkt aan de hoge kant, behalve voor duurzaam consumptiegoed. De economische wetenschap is in deze kwestie merkwaardig hulpeloos.

Er is geen algemeen aanvaarde theorie die vaststelt wat de eigenlijke ruilwaarde van de ene geldsoort tegenover de andere is. Het beste uitgangspunt is nog om na te gaan hoeveel het pakket artikelen kost dat gezinnen van vergelijkbare welstand in het ene land en in het andere zich aanschaffen. Maar wat is vergelijkbare welstand? Hetzelfde beroep? Amerikaanse mijnwerkers zijn welvarender dan hun Nederlandse collega's. Als ze al leven op hetzelfde peil, dan nog verschillen de gewoonten van land tot land. Een Hollander koopt spruitjes en een Amerikaan kiest broccoli, zijn die twee groentesoorten gelijkwaardig?

Maar even afgezien van al deze en nog heel wat andere valstrikken, wat is de eigenlijke ruilwaarde van de dollar? Na enig schuiven met cijfers die de Amerikaanse econoom Houthakker opgaf voor 1962, kom ik uit op twee en een halve gulden voor een dollar, in-plaats van drie gulden zestig.

Dat komt heel aardig overeen met de ervaring opgedaan in een jaar winkelen, wonen, eten en reizen. Wie niet te dolle eisen stelt en zich aan Amerikaanse manieren aanpast, heeft door de bank genomen van zijn dollar evenveel plezier als in Holland van zijn rijksdaalder.

De gulden die Nederland en de rest van de wereld daarboven op de dollar moeten toeleggen, noemen ze in de politiek 'wereldmacht'.