NRC 6 april 1997

De liefde stelt zichzelf graag voor als lotsbestemming. Mensen die elkaar gevonden hebben ontkennen liefst dat ze ooit zochten: ze liepen elkaar tegen het lijf, dat leek wel voorbeschikt. Wat daaraan voorafgegaan is, uitkijken en afwachten, lonken en wegkijken, toenaderen en afwijzen, polsen, flirten en uitproberen wordt in de loop van de tijd weggeschreven uit de mythe van de Eerste Ontmoeting.

'De normering van het "toevallig ontmoeten" lijkt zo sterk te zijn dat alle overige contactmogelijkheden bij voorbaat minderwaardig worden gevonden.' Dat schreef Wil Zeegers in een prachtige studie over een geminacht hulpmiddel in de partnerwerving: de contactadvertentie (Andere tijden, andere mensen; De sociale representatie van identiteit. Bert Bakker,1988). Mensen die een annonce plaatsen voor een partner erkennen daarmee dat het hun in het leven aan iets wezenlijks ontbreekt, aan een relatie. Ze werven in het openbaar, maar anoniem, en ook dat heeft iets tegenstrijdigs en lichtelijk beschamends: men maakt zijn wensen kenbaar aan Jan en alleman maar wil daar niet met naam en toenaam op aangekeken worden.
Zeegers constateerde al dat in die advertenties de verwijzingen naar goede afkomst, welstand, fatsoen en geloof langzamerhand verdwenen zijn en dat steeds meer melding wordt gemaakt van opleiding, uiterlijk voorkomen en culturele voorkeuren, van 'levensstijl'.

Maar hoe gaat dat toe in de betere kringen? Daar is toch een goede naam opgebouwd en een vermogen vergaard, die niet vergooid mogen worden aan een leuk uiterlijk of een grappige levenswandel? De kennismakingsrubriek die in Het Parool, Trouw en de Volkskrant verschijnt geeft daarover weinig uitsluitsel. Daar biedt alleen een vermelding van de opleiding ('HBO-niveau', 'acad. gevormd') een aanwijzing voor het verlangde inkomensniveau en aanzien.

Het medium is al een mededeling, want in de rubriek 'Kennismaking' van de zaterdagse NRC wordt door de adverteerders meteen al hoger ingezet. De boodschappen zijn uitvoeriger, gevarieerder, en persoonlijker, vaak gericht aan de gewenste 'tweede persoon', meteen al 'jij': 'Ben jij een man tussen 35 en 55 jr., creatief, romantisch met gevoel voor stijl en humor...' Zeegers noemt dat genre 'een open brief aan een onbekende'.
De seksuele voorkeur die in de andere dagbladen tot in de fijnste vertakkingen is uitgesplitst speelt in de NRC een ondergeschikte rol. Daar gaat het bovenal om stijl, persoonlijkheid, en 'niveau'. Die laatste term lijkt mij een discreet codewoord voor sociale positie: maatschappelijk aanzien en materiële welstand. Alweer, in de moderne mystificatie van de liefde komen inkomen en prestige niet ter sprake, het gaat om pure geestesadel, maar dan wel met een presentabel voorkomen.

Er wordt in de kennismakingsannonces van de NRC weinig gerookt, maar veel gewandeld, gesport, gelezen, natuur genoten, concert bezocht en kunst bemind, samen gehuild en gelachen, gerelativeerd, geconverseerd, met mate wijn gedronken, terwijl crises en problemen eens en vooral zijn overwonnen. De steller toont een vertederend oog voor eigen kleine tekorten, is mal, chaotisch, impulsief, maar leuk, spontaan en warm; de partner mag net zulke innemende eigenaardigheden hebben. Van aanzien, stand en fortuin wordt niet of nauwelijks gerept. Blijkbaar veronderstellen de adverteerders bij de lezers van de NRC stilzwijgend een passend inkomen en een gepast prestige.
'Lang (en leuk) mens zoekt bijzondere man met hersens en humor voor samen de krant op zondagmorgen.' Zij voegt daar nog iets aan toe: 'Buiten of Porsche geen bezwaar, maar mag ook zonder.' Dat is nog eens paradoxale communicatie. Wie reflecteert zonder tweede huis of sportwagen krijgt van haar bij voorbaat welwillend dispensatie.

De NRC richt zich impliciet op de betere kringen, maar dat zijn nog niet de hoogste regionen. In die kringen doet men helemaal niet gegeneerd over reputatie en fortuin. De International Herald Tribune heeft een rubriek 'friendships'. De stellers komen dadelijk terzake: 'Greek man, financially independent...', of, 'Real lady, beautiful' ziet uit naar een 'well established man'.

Chiquer zijn de annonces waarin een huwelijksbureau voor de cliënten optreedt: Edith Brigitta Fahrenkrog ('Frankfurt, Paris, New York') heeft de geslaagde eigenaar-directeur van enkele wereldwijde ondernemingen in de aanbieding, met eigen jet en jacht, huizen in Florida en Californië, met een 'fascinerend temperament' (dat lijkt me heel deftig voor een 'rothumeur'), elegant, sportief, humanitair. 
Gabriele Thiers-Bense richt zich tot de 'wereldwijde elite' en prijst een econoom aan, eigenaar van multinationals, die ook nog professor doctor is. Claudia Püschel-Knies omschrijft haar huwelijkskandidaat als '33/186, Dr./Entrepreneur (from a first class family)...' De opperste sector van de internationale huwelijksmarkt wordt blijkbaar beheerst door Duitse koppelaarsters die de rijkdom en het aanzien van hun huwbare cliënten dadelijk breed uitmeten. Maar ook deze annonces bevatten persoonsbeschrijvingen waarin hoog opgegeven wordt van stijlgevoel, sociale vaardigheid, warmte, spontaniteit en eenvoud. Zelfs als er sprake is van iemand uit een 'oude familie' met 'traditional conservative values' wordt met geen woord van het geloof gerept.

Ook de zeer rijken en zeer aanzienlijken willen gelukkig worden, en dat nog wel in het huwelijk. Als vermogenspositie en standsbesef eenmaal gewaarborgd zijn, willen ze wat iedereen wil, alleen méér. 'Op basis van een gefortuneerde economische achtergrond verkiest zij uitgelezen privacy, de genoegens van paarden, dressuur, landelijk leven, klassieke kunst, muziek, literatuur, besloten diners. Een hartstochtelijk intellectueel vindt in haar de volmaakte wederhelft.' Een hartekreet per procuratie.