NRC 14 september 1985

De vraag is hoe te leven. Ik zal het u laten weten, zodra ik ermee klaar ben. Ondertussen kan men zich spiegelen aan andermans voorbeeld, maar de meest navolgenswaardige mensen lijken ook het meest onnavolgbaar.

Omdat ik zelf al enige tientallen jaren leef, heb ik een eigen deskundigheid opgebouwd; bijna genoeg voor de omgang met mezelf, maar ongeschikt voor algemeen gebruik. Jammer genoeg heeft diezelfde ervaring mij geleerd dat ik veel beter af was geweest met iemand anders dan ik. Maar bij onherroepelijk gebrek aan beter heb ik me maar bij mij neergelegd.

Toch heb ik wel eens mensen ontmoet die weten hoe het moet, die de slag te pakken hebben. Meestal zijn dat helemaal niet mensen wier meningen ik allemaal deel, of die ik hoog acht om hun bijzondere prestaties. Het zijn mensen die de goede stemming heben.
Waar het mij om gaat is een bepaalde vorm van vrolijkheid. Een hele lichte en ingehouden vrolijkheid die helemaal niet afhangt van plezierige voorvallen. Integendeel, het is een vrolijkheid ongeacht de omstandigheden, ondanks de omstandigheden: een gemoedstoestand van mensen die veel tegenslag hebben doorstaan en dat zijn gaan zien als volkomen onvermijdelijk en al helemaal niet meer te herstellen. Het is vreemd genoeg een gevoel dat alles te maken heeft met een besef van onmacht en onverbeterlijkheid.
Het is dus een geestesgesteldheid die heel dicht ligt bij de wanhoop. Maar wanhoop is te pretentieus. Wie wanhoopt protesteert nog: die had gedacht dat er iets beters was en is nu kwaad dat hij zijn verwachtingen moet opgeven zonder er iets voor terug te krijgen.

Waar ik naar toe wil ligt verdacht dichtbij de ontkenning van alle onwelkome gevoelens: doorgaan alsof er niets gebeurd is. Maar dat vereist al te veel inspanning, teveel krampachtigheid.
Als het geen zin heeft zich tegen onvermijdelijke gebeurtenissen te verzetten, waar is het dan goed voor om zich te verweren tegen de gevoelens die ze oproepen? Een ware stoïcijn zou niet alleen tegenslagen moeten kunnen verdragen, maar er zelfs tegen moeten kunnen dat hij die helemaal niet aankan.

Wat ik bedoel heeft ook wel iets te maken met aanvaarding, maar zelfs dat is nog te hoog gegrepen. Er valt helemaal niets te aanvaarden, want als je het niet aanvaardt krijg je het toch. Zelfs in de berusting blijft nog de illusie bewaard dat iemand zich had kunnen verzetten: 'Goed dan, noodlot, deze keer berust ik, maar volgende keer, o wee, dan zwaait er wat.' Maar niemand luistert, er is helemaal geen noodlot, en als het er wel was dan trok het zich er niets van aan, daar is het nu net het noodlot voor. Ik moet wel veel uitleggen en het helpt allemaal niets, want wie het niet kent leert het hier niet en wie het al weet begrijpt het hierdoor niet beter.

Vanwaar dan die vrolijkheid? - Vanwaar welk gevoel dan ook? Niemand heeft om het leven gevraagd, maar iedereen kan eruit. Wie blijft, wil blijkbaar nog niet weg en wat beklaagt hij zich dan? Ik heb het niet over misstanden en wandaden, over wat aanwijsbare mensen elkaar aandoen - daar kan beklag of verzet nog wel eens iets uitrichten - maar over onvermijdelijke en onherstelbare gebeurtenissen. Niets aan te doen, en volgende keer niet eens beter.

Soms wordt iemand daar vrolijk van. Ik heb geen idee hoe dat gaat. Maar ik heb wel eens mensen ontmoet die in die vrolijkheid leefden. Het is een goddeloze en een illusieloze instelling, want wie denkt dat er nog iets of iemand aansprakelijk te stellen is, zal nooit ophouden om met rouwbeklag en beschuldiging, met verzet en vertoon, met gebed en boetedoening te proberen zijn vonnis veranderd te krijgen. Maar er is helemaal niets en bespaar je de moeite.
In de Memoires van Yvo Pannekoek staat een brief uit het concentratiekamp Vught: 'Wanneer jullie de indruk hebben dat ik sentimenteel en melancholiek ben - misschien - dan komt dat omdat ik wat meer aan jullie denk als ik schrijf: buiten die tijden ben ik zo vrolijk dat er door sommige mensen aanstoot aan genomen wordt en veel mensen er plezier van hebben. Ik heb hier voor het eerst behoefte aan philosophie, niet voor mezelf maar voor diegenen die zich nooit hebben afgevraagd waarom ze het prettig hadden en die nu met grote ogen naar de zin van alle ellende vragen; om ze te troosten en aan hun geklets een einde te maken - wat misschien hetzelfde is. Nu het met philosophie niet kan doe ik het maar met een grapje - wat misschien ook hetzelfde is.'

De sleutel tot deze verbazende geestesgesteldheid staat aan het eind van het boek: 'Ik beschouwde mijzelf als ten dode opgeschreven en iedere dag die ik bleef leven als een verrassend geschenk.' Maar dan moet de evenwichtskunstenaar niet teveel in de diepte kijken: 'Ik was wel nieuwsgierig naar de afloop, maar er dus niet persoonlijk bij betrokken', schrijft Pannekoek.
Dat is een verdwazing, maar een die noodzakelijk was om te overleven. En Pannekoek houdt het ook niet langer vol dan nodig is; hij durft nog in het kamp al zijn evenwicht te verliezen wanneer hij zijn vrienden schrijft, dan veroorlooft hij zich om 'sentimenteel en melancholiek' te zijn.
De dwaasheid van Pannekoek is een kunststuk, al geloof ik dat het ongekunsteld is en authentiek. Een stoïcisme tot de tweede macht: tegenslagen te verdragen en het eigen onvermogen om ze te verdragen ook. En over dat onvermogen kan men zich dan vrolijk maken.

Ik kom hierop door de dood van een vriend en leraar, iemand die zo vrolijk leefde, een dokter, een psychoanalyticus, Jacob Spanjaard. Hij leek helemaal niet op Pannekoek, maar hij had een eigen geheimzinnige en aanstekelijke vrolijkheid die maakt dat ik nu niet over hem treuren kan zonder te moeten lachen bij de gelukkige herinnering aan hem.