NRC 28 december 1985

Oplichters hebben met iedereen het beste voor, ook met zichzelf en dat wordt hun kwalijk genomen. Ze gunnen hun medemensen graag een voordeeltje, liefst eentje dat nog niet bestaat, maar ze doen hun best de illusie waar te maken dooor nog meer begoocheling.

Het had zo goed kunnen gaan, een spinsel van verdichtsels, een bouwwerk van verwachtingen, die alleen maar daarom bedrogen uitkomen omdat ergens in dat web iemand te vroeg begint te twijfelen. Dan wordt de oplichter de grond te heet onder de voeten, hij maakt dat hij weg komt en laat niets achter dan ontgoocheling en bankroet.
Maar als niet zo ontijdig het wantrouwen gewekt was had het ook goed kunnen gaan. Die landerijen in Florida waren waardeloos, toegegeven, maar als steeds meer mensen er aandelen in hadden genomen dan waren die zwampen alsnog in prijs gestegen en hadden de deelnemers hun geld veelvoudig terugverdiend. Die kettingbrieven waren natuurlijk het papier niet waard waarop ze geschreven waren, maar als alle ontvangers inderdaad tien kopieën hadden doorgestuurd dan waren de ontvangers vóór hen rijk geworden. Maar zodra komt er een kink in de draad of heel het kunstige spinneweb verschrompelt tot een hoopje kleverig stof.

'Als mensen situaties als reëel definiëren, zijn de situaties reëel in hun consequenties', luidt de wet van Thomas. Het is een grondwet van de sociologie en ook van de oplichterij. Als mensen denken dat anderen geld van hen aannemnen in ruil voor begerens­waardigheden, dan zijn ze zelf bereid vooor hun inspanning of bezit die papiertjes te accepteren en zo helpen zij mee het geld geldig te houden: de sleurtheorie van het geld.

Een oplichter is iemand die één leugen teveel vertelt. Maar die ene leugen is voor hem altijd nodig om alle vorige waar te laten blijven. Had hij net iets meer krediet gekregen, dan waren al zijn verdichtsels werkelijkheid geworden en was hij geen leugenaar maar een profeet.

Zo, als een oplichter, leeft de plichtsgetrouwe medemens. Hij haalt zich wat aan, neemt nog eens iets op zich en gaat een verdere verplichting aan. Hij is eenieder gaarne terwille en wat hij afspreekt ligt toch nog ver in de toekomst. Maar dan begint de tijd ineen te schuiven, de ene klus kruit over de andere taak.

Hij ziet geen kans meer de opgave nog te klaren en werkt zich dieper in de schuld, stopt het ene tijdsgat met het andere: zijn rapport komt niet op tijd af, hij vraagt uitstel van leverantie en om het goed te maken belooft hij meteen maar de inleiding erbij te schrijven. Maar nu blijkt die verplichting juist in de kerst­vacantie vervuld te moeten worden en daarmee doet hij zijn kinderen tekort. Dat moet dubbel goedgemaakt worden met de belofte van een skivakantie in het nieuwe jaar. Ondertussen melden zich de feestdagen en wie is hij dat hij zich onttrekken zou aan in dit seizoen onontkoombare visites? Hij schuift vol goede wil van het ene banket naar de andere party. Zijn rapport blijft onvoltooid en de inleiding schuift op de lange baan, alles om het familieleven tussentijds te kunnen financieren.

Uitgeput verschijnt hij in het nieuwe jaar op zijn kantoor, met lege handen, maar des te meer vervuld van goede voornemens en links en rechts paait hij zijn schuldeisers met verse beloften: heus, het komt eraan en het komt voor elkaar.

Het sceptisch gezelschap dat zijn verzekeringen aanhoort weet hij te overtuigen met een heel nieuw program, waarin hij een ongehoorde werklast op zich neemt. Ook al heeft hij nog niets afgeleverd, hij neemt zijn collega's op voorhand zoveel werk uit handen dat hij geheel onweerstaanbaar is. Een paar weken lang is hij zelfs populair. Met algemene stemmen wordt hij gepromoveerd tot voorzitter van de vergadergroep en uiteraard hoort bij deze erebaan dat hij ditmaal de feesttoespraak zal verzorgen. Ach, weer heeft hij toegestaan dat anderen er met zijn tijd vandoorgaan. Hij moet een tweede hypotheek nemen op zijn wintermaanden, zijn nieuwe verantwoordelijkheid laat niet toe dat hij tussendoor verlof neemt. Skireisje afgelast.

Dag en nacht wordt er gewerkt, aan vrienden komt hij niet meer toe, de tv ziet hij niet eens meer staan, hij kan alleen nog krantekoppen lezen, de afgelaste skivakantie zal grandioos worden vergoed met een gezinsreis naar de Aleoeten in de zomer.

Dan komt een nacht dat hij schreeuwend wakker wordt, krimpend van angst: zijn afgeladen, dubbelgeboekte toekomst stort over hem heen. Zien wij hem de volgende ochtend trillend bij de bedrijfsarts zitten? Is hij het die, ineens ontspannen, langs het raam van de derde etage valt? Krijgen wij van hem na een jaar nog onverwacht een kaart uit Rio met in onbeholpen hand naast zijn naam opeens 'xxx Belinda'? De bofkont. Of blijft het bij drie weken hotelpension De bonte hoeve en wat gemompel over stress en overspannenheid?

Ingestort is hij en door wie zijn schuld? Eén schuldeiser heeft verder uitstel geweigerd en daardoor is al zijn toekomende tijd in één slag ingeklapt. De eerste crediteur eist voorrang en nu accepteren de volgenden geen verdaging meer, verontrust verlangen zij alemaal prestatie binnen de gestelde termijn en hij staat machteloos. Niemand geeft hem nog de tijd. Hij is bankroet. De meest liefhebbende huisvader, de meest toegewijde collega van allemaal wordt uitgestoten wegens wanprestatie.

Er is opnieuw een jaar ten einde. Nu is het tijd om tot bezinning te komen. Vertik het voortaan, verdom het. Bedank, sla af en weiger. Zeg nee, nee, en nog eens nee.

Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987.