NRC 3 mei 1997

Vanavond hoeft er nog niets, maar morgen moet er herdacht worden en overmorgen gefeest. 
Het televisiepubliek wordt er in een reclameboodschap van overheidswege discreet aan herinnerd dat er iets te rouwen valt en vervolgens iets te vieren: twee dikke klodders verf, één rood, één blauw, op wit fond, worden uitgestreken met de kwast, terwijl een stem indringend het woord 'vrijheid' articuleert. Het reclamebureau heeft er ook nog een woordspeling bijgedaan: 'vier vijf mei'. Maar waar het op die dagen ook alweer precies om gaat, verdraaid, ik heb het geweten, maar ik kan er nu even niet opkomen.

Als de stemming er maar in komt. Het nationaal gevoelsleven moet met de kalender mee, in één week van oranjelol langs oorlogsleed naar vrijheidsroes. (En dan sla ik, net als iedereen, de eerste mei nog over) Het had erger gekund. De volkswoede wordt in dit land niet van hogerhand geregisseerd, en ook is een Dag van de Afgunst is nog niet ingesteld. Trouwens, het diepste volksgevoel, de wraaklust, was hier van begin af aan ten strengste verboden. In plaats daarvan kwam soms de rechtspleging en meestal de vergetelheid als collectieve afweer van de wraakzucht. Die aanvechting was blijkbaar onaanvaardbaar geworden. Dat kwam omdat iemand die zich toentertijd naar hartelust zou wreken daarmee in eigen en andermans oog teveel ging lijken op de ellendelingen die hij wilde afstraffen. Het was teveel van het kwade. De openlijke wraaklust verging de mensen dus al gauw.

Er bestaat een schoner wraak dan het kwellen van de vijand: het beschermen van zijn slachtoffers. Achteraf was nog het beste wat iemand in de oorlogsjaren doen kon vluchtelingen helpen en onderduikers herbergen. Dat heeft veel meer leed bespaard dan het gewapend verzet en het was ook minder gevaarlijk.

Zo is het nog. Tegen verre of halfnabije dictaturen kan niemand alleen of groepsgewijs iets uitrichten en de Europese overheden willen er, alleen of gezamenlijk, niets tegen doen. Voor zo'n situatie bestaat de uitdrukking 'machteloos toezien'. 
Helemaal onmachtig zijn de mensen hier toch niet. Ze zijn heel goed in staat, zo niet alleen dan toch groepsgewijs, om vluchtelingen uit die landen op te nemen. Daar is niet eens staatsingrijpen of overheidssubsidie voor nodig. Allerlei organisaties houden zich al met vluchtelingenwerk bezig, zoals het Universitair Asylfonds dat vervolgden in staat stelt in Nederland te studeren.

In zijn algemeenheid is dat een medemenselijk streven. Maar soms bestaat er een bijzondere verantwoordelijkheid. Iemand die zijn eigen vak serieus neemt mag niet aanvaarden dat een collega elders hetzelfde werk door het heersend bewind onmogelijk gemaakt wordt. Juist journalisten, juristen, acteurs, schrijvers, zangers, psychiaters, sociologen, historici, taalkundigen worden door die dictaturen vervolgd, vooral de mensen die met woorden omgaan.

Het is de laatste jaren steeds moeilijker geworden voor politieke vluchtelingen om in de westerse democratieën nog een heenkomen te vinden. Maar die moeilijkheid kan nog steeds met geld verholpen worden. Als iemand voor de vreemdeling garant wil staan krijgt die een verblijfsvergunning.

Op de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek, waar ik werk, is een paar jaar geleden bij wijze van proef een Exilfonds opgezet om een vervolgde vakgenoot in staat te stellen zijn werk een tijd lang voort te zetten bij de School. Het geld wordt grotendeels bijeengebracht door de honderd mensen die daar als docent of onderzoeker werken. Een extern bestuur voert het beheer.
En, lukt het? Ja, maar niet zo als aanvankelijk werd gedacht. Het is helemaal niet zo eenvoudig in contact te komen met vervolgde collega's die aan de bedoelingen voldoen. Elke vluchteling trekt zijn eigen plan, dat telkens anders is en steeds onverwacht. De één blijkt eigenlijk allang in Nederland te verblijven en wist zich daar nog net staande te houden, de ander komt inderdaad van verre maar gebruikt de toelage als waarborg voor een verblijfsvergunning waarmee hij vervolgens naar Parijs forenst om daar een betrekking te vinden.
De persoon die zich aandient valt altijd een beetje tegen, is net niet de verzetsheld annex geniaal collega die men zich had voorgesteld. Na de eerste algemene ontroering stokken de contributies en moet er af en toe gemaand worden. Het Amsterdamse Exilfonds werd pas zeker van zijn voortbestaan door een grote gift van buiten.

Hoeveel er ook gejammerd wordt over bezuinigingen en tekorten, er is bij instellingen en bedrijven nog altijd veel vrijzwevend geld, vergoedingen voor consulten, optredens en publicaties, entreegelden, restituties, die worden opgemaakt aan personeelsreisjes, de verdere verfraaiing van de kantine of nog maar eens een snellere computer. Uit zulke potjes en uit de bijdragen van collega's is een vluchtelingenplaats te financieren, als het moet met wat hulp van externe sympathisanten. Om een vluchteling een jaar te kunnen onderhouden is gauw dertigduizend gulden nodig. 
Wat moet er na dat jaar gebeuren? Dat is een vraag, maar niet voor iemand die nu in eigen land in levensgevaar verkeert of pas geleden volslagen berooid heeft moeten vluchten. Als het zich niet vanzelf oplost is er dus over een jaar weer een probleem, en daar moet dan iets op gevonden worden. Meestal heeft tegen die tijd de vluchteling alweer een list verzonnen of blijkt er elders een nieuw onderkomen beschikbaar te zijn.

Wie zich met vluchtelingen afgeeft haalt zich wat aan. De instelling krijgt er een probleem bij en een paar mensen moeten zich geregeld zorgen maken over de buitenlandse gast. Het is goed die bedenkingen maar meteen breed uit te meten. Verdubbel ze desnoods, overdrijf ze vele malen. En weeg ze dan af tegen de werkelijkheid van de mensen die vervolgd worden.