NRC 10 augustus 1985

Televisie is klassikaal en video is Montessori. Met een video kan iemand zijn eigen programma's samenstellen en zelf films maken. Iedereen zijn eigen thuisomroep, de wurggreep van het bestel gebroken. Maar daar is allemaal niets van terecht gekomen. De videorecorder werkt alleen maar als een tijdmachine: de slechte films komen er toch, een paar uur of een paar dagen later. Bioscoopfilms van een jaar of twee geleden verschijnen weer op video in de verhuur. Maar ook daar enkel vertraging, geen verruiming van het aanbod. In die videotheken zijn alleen films te krijgen voor het grote publiek, terwijl ze nu toch bekeken worden door een klein publiek: de thuiskijker en zijn vrienden. In zo'n huisbioscoopje passen rariteiten, documentaires, huiskamerdrama's, maar de videotheken hebben alleen werken in grote bezetting te bieden die bedoeld zijn voor een zaal. En dan vooral het grofste, goorste in het genre. Klassieke films zijn nergens te krijgen en daarmee is de kans verkeken op een privécursus in de filmgeschiedenis, waarvoor zo'n videorecorder nu net geschikt is.

Er is wel een nieuw medium, maar er is geen nieuwe boodschap, geen nieuwe vorm voor. Er is geen filmgenre dat rekening houdt met de omstandigheden waaronder video bekeken wordt: in de huiskamer, op een klein scherm, op het tijdstip dat de kijker belieft, en zolang als het hem uitkomt; passages kunnen worden herhaald, vertraagd, versneld of overgeslagen. Video staat tot film, als een boek tot een preek. Maar er is niets mee gedaan. Het wordt wel eens geprobeerd. In kunstmusea staat in een donker hoekje soms een videorecorder die kunstende beelden vertoont: het publiek schuifelt gegeneerd verder. Terecht; het zijn knullige probeersels, trillerig en vlekkerig, die wegvallen bij het technisch niveau dat de kijker thuis gewend is. Bovendien mag hij nu net niet zelf de knoppen bedienen, het enig voorrecht dat video te bieden heeft; hij leest een boek in een vitrine.

Heel even leek een autonoom genre te gaan ontstaan. In de tijd van de tv-piraten verscheen na middernacht de platste pornografie op het scherm. Dat was eindelijk huiskamerfilm. Opgenomen in klein decor voor vertoning op kamerformaat, met intense en toch overzichtelijke passies aangepast aan intiem gebruik, en uiterst geschikt voor herhaling en detailstudie. Het waren amateuristische producten die noodden tot zelfwerkzaamheid.

Het was onzedelijk en wansmakelijk, zoals alle avantgarde, en het werd verboden. Maar video blijft het ideale medium voor de pornografie en misschien komt er ooit nog iets moois uit voort.
Zelfs de televisie heeft na veertig jaar maar weinig nieuwe vormen opgeleverd. Spelletjes, praatprogramma's, filmfeuilletons zijn allemaal aanpassingen van genres die allang bestonden, wat levendiger, wat sneller, maar niet veel anders. Televisie is nog het meest oorspronkelijk in de verslaggeving van oorlogen of rampen en het medium bereikt een nieuw niveau als de scènes speciaal voor de uitzending worden opgevoerd, zoals bij kapingen gebeurt: marteling en moord als kunstwerk of mensenoffer. Dan pas wordt het medium de boodschap.

Verder is uit de televisie maar één wezenlijk nieuw genre voortgekomen en dat kwam pas heel laat: de videoclip.De clip verwijst ook naar niets anders dan naar een ander massagenre, de popmuziek, die zelf weer naar die filmpjes verwijst. Een videoclip is een heel kortstondig electronisch totaalkunstwerk.
Alles wat electronische componisten en videokunstenaars in hun laboratoria en ateliers niet is gelukt, is opeens in een heel vulgaire vorm gerealiseerd door de producers van de videoclips: desoriënterende montages, subtiele beeldcodes, complexe commentaren van beeld op geluid en terug, efficiente toepassing van vervormingstechnieken. Dat moest allemaal eerst ontdekt worden, nu pas kan zich daaruit een meer autonome video-kunst ontwikkelen. In film en televisie komen de kunstvormen voort uit de populaire genres.

Met moderne tv-toestellen kunnen tekstpagina's worden opgeroepen. Maar als die op het scherm verschijnen blijken ze onleesbaar. Grove, slordige letters, een bonte en rommelige opmaak, de typografie van de kindercomputer en het woordgebruik van de kleuterklas, vol zetfouten bovendien: Teletekst. De letters van de ondertitels op het gewone televisiebeeld zijn scherp gestoken, dus ook het letterbeeld van Teletekst zou goed kunnen zijn, als er wat meer pixels aan waren besteed. Er zit geen systeem in de paginering en dus blijft het zoeken naar de goede bladzijde en het bladeren duurt, omdat de teller eerst alle nummers moet doorlopen.

En dan is er nog niets lezenswaard. Bleke tekstjes over de Beekse Bergen, het omroepnieuws, nuttige wenken voor de doe-het-zelver. Het is zulk broddelwerk dat het wel opzet moet zijn, om de kranten of de omroepen geen concurrentie aan te doen. Weer zo'n toekomstvisie waar niets van uitkomt: de electronische krant blijkt een leesplank.

Met die teletekst worden gewone tv-programma's voorzien van ondertitels voor doven. Daar is tenminste iemand mee geholpen.

Gelijktijdige ondertiteling! Dat is lopend commentaar op de uitzending. Maar als dat kan, doemen ongedachte mogelijkheden op. Ik wil op mijn teletekst synchroon een tegentekst. Als op de televisie Van Aardenne spreekt, wil ik uit het tekstbestand zijn doopceel onder het beeld kunnen lezen. Ik wil bij mijn programma's ongewenste achterklap, verdonkeremaande feiten, buitenissige meningen kunnen oproepen met de afstandsbediening in de hand. Ik wil vooral tegenspraak, polemiek en hoon, het commentaar van K. Schippers, Hein Donner, Jan Blokker, Piet Grijs, Ischa Meijer, Gerrit Komrij, Tamar, in teksten dwars door het beeld. Ik heb Hillenius en Karel van het Reve nodig bij de EO en Heldring en Van Doorn bij de VPRO. Ik kan helemaal niet zonder die Teletekst. Van wie is die eigenlijk? Kan er geen piraat op? Breek in, roof een beeldpagina, geef de kijker de titels die hij nodig heeft.

Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987