NRC 17 augustus 1985

Wie nu nog gelooft heeft het goede nieuws nog niet gehoord: het is allemaal veel wonderbaarlijker dan wie ook maar ooit heeft kunnen bevroeden.
Wat voorspeld is, is ook uitgekomen en meer dan dat. En zonder dat er een god, geest of wonderdoener aan te pas kwam. Het is bedacht door onderzoekers, ontwikkeld in laboratoria, in fabrieken geproduceerd en door de commercie aan de man gebracht. En er bleek helemaal geen genade voor nodig, alleen maar een gebruiksaanwijzing. Het komt allemaal van de techniek. En die houdt maar niet op.

Bij het aanschouwen van een wijds landschap, een zeepanorama, of het uitspansel bij nacht, is het gepast om zich te laten overweldigen door een gevoel van nietigheid in het oneindige, ontzag voor de schepping en nederigheid voor de grootsheid van het wereldraadsel.
Ik heb dat niet zo. Als ik de verte of de lege hemel inkijk denk ik aan iets anders: ik stel me voor dat ik de radiogolven horen kon die daar voortschieten met de snelheid van het licht. Als ik er zin in heb, pak ik mijn zesde zintuig om ze te kunnen verstaan: Een zakradio vangt een dozijn zenders op, een kortegolf-ontvanger maakt er wel honderd verstaanbaar, met een draagbare tv kan ik ze ook nog zien. En dat zijn nog doodgewone electronica, met speciale apparatuur, scanners en radar, manifesteren zich nog veel meer frequenties.

Die straling is er dus al en omgeeft mij, zonder dat ik het ooit beseffen zou als het me niet verteld was, zonder dat ik het ooit merken zou als ik geen ontvanger binnen handbereik had. Allemaal gebabbel en gemurmureer, beweeg en geflonker, steeds en overal om mij heen. Muziek der sferen, een electromagnetische volte, dichtgestouwd met gepraat en gedoe dat tussen mensen heen en weer gaat. Geen ontkomen aan, behalve in een ijzeren kooi. Daarover verbaas ik mij: de eindeloze deining van de mensenzee die onmerkbaar voortklotst in de ether. Veel diepe zin wordt daarin niet rondgezonden, denk ik, maar zinlozer dan de natuur zelf kan niet. De zin is dat het er is.

Een eeuw geleden was de ether nog leeg, alleen maar het ongehoord gemompel van wat sterren die uitzenden van voorbij de melkweg.
Wat moet ik daar nu van denken? Een hele onzichtbare geestenwereld, die ons overal omringt en die zich manifesteert, zodra de transistor aanstaat.

Niets daarvan werd vroeger vermoed en het was er ook niet; er waren electro-magnetische golven, maar niemand ving ze op, en die golven droegen ook geen enkele boodschap.

Zo willen zij taal uit wartaal verklaren en zin uit onzin. De natuurkunde is al moeilijk genoeg, maar met wat rekenen en redeneren toch nog te begrijpen. Maar zij willen de Tao erbij halen of de Openbaring. Dat maakt het interessanter, dieper denken zij en rijker ook misschien. Maar niet duidelijker. En niet nuttiger. Een Yin-radio, daar komt tot het eind der tijden geen geluid uit, maar uit een simpele kristalontvanger wèl en meteen. En dus is met het ontwerp van dat apparaat iets begrepen, iets ingezien over de wereld.

Er moet toch meer zijn, iets anders, iets hoezalikhetzeggen hogers? Ik weet het niet. Het zal wel. Maar wie daar naar hangt en zucht, die heeft nog niet de diepte en de verte begrepen van de techniek en van de wetenschap. Dat is hem teveel moeite, dat is hem te gewoon; dat heeft een begin dat moeilijk is en niet al dadelijk een eind dat makkelijk is en voor dwepers meteen te bereiken.

Nu worden de kwezels bits en komen met verwijten. Al die scientistische vernieuwing, wat heeft het de mensheid gebaat?
Wat voor goeds is daaruit voortgekomen? De atoombom en het milieubederf soms? De antroposofie en de astrologie, die zijn tenminste milieuvriendelijk en niet-destructief. En natuurlijk afbreekbaar bovendien.

Er is dus een etherisch rijk dat door onze wereld heendringt en onmerkbaar alomtegenwoordig is. Dat lijkt de nauwkeurigste vervulling van voorspelling en verkondiging over onstoffelijke wezens, over boodschappen die door de wereld zweven, over de geest die waait waar hij wil. Dat is de radio, of beter, de electromagnetiek.

De wonderen komen de wereld in. Maar het vreemde is dat de gelovigen die al die tijd in den blinde aan het gissen waren nu niet opgelucht kennis nemen van de oplossing van de geloofsraadselen en zich voortaan wijden aan zelfstudie in de electrotechniek. Nee, zij negeren de nieuwe mirakels. Die nieuwigheden zijn echt en ze doen het, en dus gelden ze niet als ware wonderen, want die zijn niet echt en die doen het niet. Of erger nog, de geloofsgetrouwen leggen een verband tussen de nieuwe technieken en de oude leer waarin het allemaal al werd aangekondigd: 'Zie je nu wel' - Nee, ik zag niets en nu zie ik wel wat, niet in de oude leer, maar op een beeldscherm.

Ja, wat is de zin van de techniek, werkt ze ten goede of ten kwade? Dat is weer zo'n eindvraag voor luie dwepers. Pas als de gelovigen verklaren kunnen waarom hun opperwezen of almachtsbeginsel het kwaad in de wereld toelaat, zijn zij toe aan een eindoordeel over zin en waarde van de techniek. Eerst de theodicee, dan de technedicee. Ik beweer niet dat wetenschap en techniek het goede dienen, maar dat ze ware kennis behelzen over de wereld. Dat is al heel wat.

Zo leef ik in mijn geestenwereld, omringd door electronische demonen. Geen stap buitenshuis zonder transistor: ik moet weten wat er in de ether om mij heen gefluisterd wordt. Op mijn werktafel de televisie afgestemd op het kabelkanaal dat alle tien zenderbeelden tegelijk weergeeft, mijn FM-radio zacht ruisend op de tast naar verre stations, binnen handbereik het telefoontoestel miljoenvoudig gekoppeld, grammofoon, cassette en compact-speler klaar in de aanslag; en op mijn
computerbeeldscherm vormt zich deze tekst. Ik sta in contact.

Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987