NRC 27 juli 1985

De verschillen tussen mensen zijn ongelijk verdeeld. In het ene land kan bijna iedereen hardlopen, boomklimmen en kopje duikelen, in het andere zijn de meeste mensen vadsig en onbeholpen, maar zijn er een paar die kunnen rennen, springen en klauteren als de besten. De eerlijkste vergelijking tussen zulke volkeren is een vergelijking tussen de snelsten en behendigsten die zij hebben voortgebracht, want daaruit blijken de grenzen van hun mogeljkheden, althans op dat tijdstip.

Zulk vergelijkend onderzoek is wel eens gedaan op het gebied van de intelligentie, maar dat bleef dan steken in taalbarrières en verschillen in gewoonten. Het volk dat de IQ-test had bedacht beschouwde dat op zichzelf al als het onomstotelijk bewijs van eigen intelligentie en verlangde van het andere volk dat het precies die proef aflegde, maar weigerde de zang- en trommelproef te doen die dat andere volk nu juist voor doorslaggevend hield als blijk van geestelijke vermogens.

Er zou dus een meting moeten worden gehouden van prestaties die alle volkeren van belang achten en volgens regels waarmee ze allemaal instemmen. Die proef zou dan niet eenmaal, maar over vele jaren telkens opnieuw moeten worden gehouden, zodat iedere groep de kans krijgt de meest geschikten uit te zoeken en in de opgave te oefenen.

Het spreekt vanzelf dat de wetenschap aan zulk vergelijkend onderzoek nog niet toe is, de wetenschap is immers zelf een soort proef, maar dan wel een heel oneerlijke waarbij het volk met de meeste wetenschappers alle wetenschappelijke tests wint.

Toch worden die vergelijkende metingen al bijna een eeuw uitgevoerd, met eendrachtige medewerking van bijna alle volkeren, in vrijwel volstrekte eensgezindheid over de maatstaven en met de grootst denkbare nauwkeurigheid. Iedere keer weer wordt onder wereldwijde belangstelling een hele testbatterij afgewerkt; de uitslagen worden zorgvuldig vastgelegd en alom bekend gemaakt.

Die vergelijkende lichaamswetenschap is uiteraard de atletiek en de Olympische Spelen zijn het reizend laboratorium waar dat vergelijkend onderzoek elke vier jaar gehouden wordt. Elk tak van sport is tot in het kleinste detail gereglementeerd om een goede vergelijking te kunnen garanderen, en ook in dat detaillisme en formalisme is de sport verwant aan het wetenschappelijk experiment: een wedstrijd is een standaardtest met wereldwijde geldigheid. Die internationale normering is in de sport beter gelukt dan op enig ander gebied.

Om een wedloop op het ene tijdstip te kunnen vergelijken met een andere ergens anders is objectieve tijdmeting vereist. Zonder chronometers zijn alleen gelijktijdig uitkomende renners te rangschikken en bestaan er geen onderling vergelijkbare records. Die tijdmeting is een kwestie van techniek records worden pas sinds de jaren vijftig algemeen tot in honderdsten van seconden gemeten en ook de 'foto-finish’ is een nieuwigheid.

Maar veel belangrijker is de reglementering van elk Olympisch nummer, waardoor de opgave steeds dezelfde blijft en de prestaties op elke plaats en op elk tijdstip met elkaar vergeleken kunnen worden. Die sociale organisatie van de tijdmmeting maakt de sportprestaties tijdloos en universeel. De tijd van Eddie Tolan in Los Angeles in 1932: 10,3 seconden geldt overal ter wereld en bleef dertig jaar ongeëvenaard. Dat Tolan toen Metcalfe en Jonath voorbijliep zou in vroeger tijden het beslissende feit in zijn heldenverhaal geweest zijn, maar in de moderne sport is het irrelevant Tolan loopt met die ene ren van 1932 ook nu nog de grote meerderheid van de Olympische atleten voorbij in Moskou in 198o liepen er maar twee sneller dan hij, vier jaar later in Los Angeles zes.

De Olympischhe atletieknummers zijn sinds 1896 bijna elke vier jaar op vrijwel identieke wijze herhaald. Ze leveren daarmee een uniek vervolgonderzoek op. De eerste paar keer is het nog wennen op zo'n onderdeel en zijn de resultaten grilligº de eerste marathon van de moderne tijd werd gewonnen door Spiridion Louîs, een Griekse boerenjongen die gewoon heel hard bleef lopen. De Amerikaan Robert Garrett won in dat beginjaar het discuswerpen voor de grap hij had het ding nooit eerder vastgehouden.

De Olympische Spelen waren tot in de jaren twintig vooral een treffen van Amerikanen, West-Europeanen en de Gemenebest-landen; de Amerikanen overheersten, vooral op de korte fstanden. En in die eerste fase werden de records iedere keer met sprongen verbeterd: blanke suprematie en vooruitgangsvetrouwen onder Amerikaanse aanvoering, welsprekend uitgedrukt in minuten en seconden. Maar in de periode tussen de twee wereldoorlogen werd een niveau bereikt dat niet meer zo gemakkelijk te overtreffen was, de records werden stabiel en bleven soms tientallen jaren ongebroken. Amerikaanse negers, Aziaten, Oost-Europeanen, Latijns-Amerikanen en Afrikanen gingen meedoen. Na een gewenningsperiode bleek in elk Olympisch onderdeel dat ook nieuwkomers konden winnen. De opkomst van de socialistische landen en de dekolonisatie werd al even scherp uitgedrukt in cijfers achter de komma.

De eerste conclusie uit de honderdjarige wereldwijde Olympische vergelijkingstest is dat na een aanloopperiode de verschillen tussen de allerbesten miniem zijn en dat geen volk, ras of continent de alleenheerschappij heeft in enig onderdeel. De verschillen tussen die kampioenen en gemiddelde sportlieden zijn aanzienlijk en tussen hen en gewone mensen enorm. Maar over een verloop van tijd of binnen een veld van renners ontlopen de besten elkaar niet zoveel.

In heel ver uiteengelegen plaatsen van de wereld, onder de meest verschillende omstandigheden matten atleten zich af om het allerhoogste niveau te bereiken, en wanneer zij elkaar dan eindelijk treffen blijken ze tot op de seconde en de centimeter aan elkaar gewaagd; en van het ene jaar op het andere kunnen atleten de prestaties van hun voorgangers maar met een fractie verbeteren.