NRC 3 augustus 1985

Met de actualiteit bemoei ik mij niet, ik ben pre-actueel: vorige zaterdag had ik het over atletiekrecords en prompt werden die dag in Oslo drie wereldrecords gebroken. Het waren stabiele records, want ze werden met een miniem tijdsverschil verbeterd: op de 5000 meter met één honderdste seconde, een fractie die dertig jaar geleden nog maar nauwelijks te meten was geweest.

De besten van alle volkeren zijn aan elkaar gewaagd, beweerde ik in het vorige stukje, de verschillen tussen de kampioenen zijn maar heel gering. Dat blijkt het best in een nummer dat al bijna een eeuw gelopen wordt, de Olympische honderd meter. Al sinds tientallen jaren wordt het record niet meer spectaculair verbeterd. En alleen de allerbesten lopen sneller dan de recordtijd van 1932: 10,3 seconden. Het huidig wereldrecord ligt daar 0,37 seconden onder, een verbetering van 3,6 procent in meer dan vijftig jaren waarin het aantal hardlopers toch verveelvoudigd is, mededingers uit tientallen landen erbij gekomen zijn en de looptechniek en oefenmethodiek eindeloos zijn verfijnd. Die allersnelsten komen uit Duitsland, Rusland, Jamaica, de Verenigde Staten, Engeland, Trinidad, Cuba, Canada, het zijn blanken en zwarten, maar allemaal rijzig en pezig.

Hoe klein de verschillen tussen de allerbesten zijn blijkt ook uit de tijden van de eerste en, zeg, de achtste binnen één veld: bij de finale van Los Angeles in 1984 respectievelijk 9,99 seconden (dat was Carl Lewis) en 10,33 seconden: een tijdsverschil van 3,3 procent.

Nu is die honderd meter sprint een uiterst specialistisch kunststuk; zo'n stormloop komt in het dagelijks bestaan maar weinig voor. Dat nummer wordt vooral beoefend in landen die al een moderne sportcultuur hebben ontwikkeld. Maar wedrennen op de langere afstanden bestaan ook in samenlevingen die tot voor kort niet meededen in de internationale topsport; die landen kunnen dus toch meteen al cultuurtalenten inzetten.
Dat blijkt ook uit de resultaten op de 1500 meter. Ook hier werden de Olympische records aanvankelijk telkens met grote verschillen verbeterd: in 1924 liep Paavo Nurmi uit Finland al bijna veertig seconden sneller dan de Australiër Edwin Flack nog geen dertig jaar tevoren bij de eerste moderne Olympiade van Athene in 1896. Het duurde vierenveertig jaar voordat er nog eens twintig seconden van het record waren afgehaald, toen Kipchoge Keino uit Kenia in 1968 de anderhalve kilometer liep in 3 minuten en 34,9 seconden. Daarmee was het record stabiel geworden: het tegenwoordig wereld record is maar 4,14 seconden sneller, nog geen 2 procent in zestien jaar.

Eenzelfde stabiliteit blijkt uit de tijden binnen een veld van renners, opnieuw de finale van Los Angeles in 1984. De Engelsman Sebastian Coe liep de 1500 meter in 3 minuten 32,53 seconden en de achtste man deed er 4,18 seconden langer over; ook hier een tijdsverschil van minder dan twee procent. In die kopgroep liepen twee Engelsen, twee Spanjaarden, een Keniaan een Amerikaan, een Zwitser en een Soedanees; nog meer verscheidenheid, zoals verwacht.
Hetzelfde beeld van minieme tijdsverschillen tussen de allerbesten over een verloop van jaren en onder de koplopers in een veld blijkt nog overtuigender uit de resultaten van de marathon en ook daar komen die kampioenen uit alle windstreken van de wereld. De Fin Albin Stenroos liep dat nummer in 1924 in 2 uur 41 minuten en 22,6 seconden, ruim zeventien minuten sneller dan de legendarische Spyridon Louis in 1896 (over een 195 meter kortere afstand). In 1952 ging Emil Zatopek weer ruim achttien minuten sneller dan Stenroos en in 1964 liep Abebe Bikila uit Ethiopië de marathon nog eens bijna elf minuten vlugger: in 2 uur 12 minuten en 11, 2 seconden. Daarmee had die afstand zijn tijd gevonden.

Twintig jaar later, in Los Angeles, ging de Portugees Carlos Lopes nog niet drie minuten sneller, een tijdwinst van een goede twee procent in al die jaren. De achtste man was 2 minuten 18 seconden langer onderweg, binnen de kopgroep waren de verschilen dus nog minder. En toch kwamen daar, behalve de Portugees, een Ier, een Brit, een Japanner, een Australiër, een Tanzaniaan, een Keniaan en een loper uit Djibouti tegen elkaar uit. Al twintig jaar ontlopen die kampioenen uit alle continenten elkaar nauwelijks, maar verschillen enorm van gewone mensen waar ook ter wereld die al blij zouden zijn als ze die afstand binnen een dag konden lopen.
Al die topatleten zijn mannen. De grote scheidslijn loopt niet tussen de volkeren, maar tussen de geslachten.

Nog wel, ja, maar niet lang meer. De vrouwensport verkeert nu in dezelfde instabiele beginfase die de mannenatletiek aan het begin van de eeuw doormaakte. Alleen op de Olympische honderd meter die al sinds 1928 door vrouwen wordt gelopen raken de tijden gestabiliseerd: maar daar ligt Evelyn Ashford minder dan á‚áá‚án seconde achter op Carl Lewis en bij de voorrondes in Los Angeles waren heel wat mannen minder snel dan zij. Had ze maar meegedaan, dan had ze in een sneller veld vast een nog betere tijd gelopen.
Pas sinds 1972 komen vrouwen uit op de Olympische 1500 meter. Tatyana Kazankina was de snelste, met een tijd van 3 minuten 56,6 seconden. Daarmee was ze in 1920 nog Olympisch kampioen bij de heren geworden en als ze in Los Angeles met de mannen had mogen meedoen was ze in de voorrondes zeker niet als laatste geëindigd.

De winnares van de vrouwenmarathon van Los Angeles, Joan Benoit, zou bij de mannen als 51e zijn geëindigd met nog 57 lopers achter zich. Tot 1960 zou ze met haar tijd Olympisch kampioen in alle geslachten geworden zijn. En dat meteen al de eerste keer dat een Olympische marathon door vrouwen werd gelopen.

Het wordt hoog tijd dat vrouwen die zich weten te kwalificeren worden toegelaten tot de Olympische nummers waar mannen nu nog onder elkaar concurreren. Binnen tien jaar zal een vrouw Olympisch kampioen zijn in de mensenatletiek. Over dertig jaar zal dat gewoon zijn.

Hoe meer de mensen streven naar voortreffelijkheid, des te meer blijken daarin hun overeenkomsten.