NRC 14 december 1996

Het was tegen vieren dat het vliegtuig landde, maar de schemering was al ingevallen. Het mistte en miezerde op weg naar de stad, langs zacht wenende voorsteden, een buitengordel van uitgehuilde arbeiderswijken en een druilend stadscentrum waar voetgangerszones werden ingesloten door parkeergarages. Ik had het kunnen weten. Maar toen de uitnodiging mij bereikte was het nog volop zomer geweest, december was nog leeg en daar kon voor de afwisseling nog wel een reisje in.

Ik was aan het internationaliseren, zoals dat in het Nederlands wetenschapsbeleid uitdrukkelijk is voorzien. 
Internationale contacten worden door de overheid aangemoedigd, geïnventariseerd en gesubsidieerd. Aan het eind van het boekjaar worden ze opgevoerd in het jaarverslag en per dienstreis afgerekend. Dat is volkomen terecht, om redenen die ik bekend veronderstel. Maar ook internationale contacten moeten klikken. Vaak valt zo'n postordergeleerde bij eerste kennismaking tegen. Toch moet het reisbudget worden opgemaakt en dus worden ruimschoots op tijd de buitenlandse gasten geïnviteerd. Dat is vragen om een schijnvertoning. Al in de taxi bekroop mij het vermoeden dat ik dit keer gevraagd was voor het jaarverslag.

De ontvangst was hoofs en zuinigjes. Ik vind dat best. Ik zit niet in de consultancy of in de ontwikkelingshulp, dus ben ik het sober gewend. Op het tevoren ge-emailde tijdstip diende zich in de lobby van het hotel een zorgelijke jongeman aan in tweedjasje, corduroy broek en op vetleren schoenen. Kamergeleerden hebben een vaste voorkeur voor buitensportkledij. Het was hem aan te zien dat hij door zijn professor was gestuurd en dat zijn positie hem, hoewel gedoctoreerd, nog niet toestond nee te zeggen. Al bij zijn eerste woorden begreep ik dat hij mij behoedzaam ging voorbereiden op een doodklap aan mijn zelfbeeld. Het is dan op zo'n dag juist pakjesavond, of er is een algemene staking, naaktdansen op tv, examenweek, of de cholera is uitgebroken. 'In elk geval, u begrijpt, er komt, vrees ik, niet veel publiek.'

Het gaat ook wel eens anders. Drommen studenten die ellebogend een zitplaats zoeken op het middenpad, hongerige vragen over een artikel dat ik al vergeten waande, een publiek dat nog wel uren door zou willen discussiëren, de lovende heildronk na afloop aan het collegiaal souper. Maar dat is uitzondering. En triomfen schrijven niet zo lekker weg, niet in de ikvorm.

Dit was het andere uiterste, en dat komt vaker voor. Je weet het pas als er geen terug meer is. De grauwe doctor had, begreep ik, nog andere zorgen. Zijn stem daalde, viel haast weg van pure discretie. Op een toon of hij mij vroeg naar het telefoonnummer van een pedofiel circuit wilde hij mijn onkostendeclaratie en gironummer weten. Dit is een schaamte die ik niet deel, maar hij leed eraan voor twee: 'Wij worden nu eenmaal uit de publieke middelen gefinancierd' mompelde hij verontschuldigend alsof hij mij met zijn vraag groot onrecht had aangedaan.

Wij waren intussen bij een ingestorte villa aangekomen en betraden de zaal. Waar de kroonluchter uit het gestuukte plafond gesloopt was hing een peertje met een papieren slinger. De zaal baadde in een lauwe noodverlichting. Er werd ook hier, dat was onmiskenbaar, bezuinigd op het onderwijs ter voorbereiding van de Europese munteenheid. 
Tegen de achterwand ontwaarde ik een tafel met twee stoelen, twee glazen en een karaf met zeer oud water. Helemaal aan de andere kant van de zaal waren twintig stoelen opgesteld. Het ruime middenveld was eerbiedig leeg gelaten. Op de achterste stoelen hingen een paar studenten die zich onbespied van de koffie hadden bediend. Nu waren ze er gloeiend bij en zouden de lezing moeten uitzitten. Dat was op te maken uit de meedogenloze blik waarmee de doctor hen fixeerde. 
'Het is nog vroeg' fluisterde hij, 'er zullen vast nog wel meer toehoorders komen'. De secretaresse die even om de deur kwam kijken werd dwingend naderbij gewenkt. Bij de ingang werden nog twee studenten geronseld. Een oude geleerde druppelde de zaal in, ging zitten, nam zijn aktetas op schoot, en nog voor hij daar iets uit kon halen overviel hem een diepe, rustige slaap. Dat lag dus nog niet aan mij. 

Na de inleiding begroette ik mijn gehoor en deelde dadelijk twee forse kwinkslagen uit. De toehoorders, een tiental nu, bleven onbewogen voor zich uitstaren. Er schortte kennelijk iets aan het internationaal contact.
Geen wonder. Mijn 'dames en heren' galmde van de wanden terug als 'amen eren'. Zo kaatste elke volgende zin op de vorige. Er was, vermoedde ik, ook nog een taalprobleem. Ik schakelde terug naar dicteersnelheid. De studenten herkenden tempo en nadruk waarmee op college de tentamenstof wordt aangegeven en begonnen gewoontegetrouw alles op te schrijven. Ik sprak voort met de moed der routine.

Maar toen ik onder een retorische pauze de zaal inkeek, zag ik haar, op de voorste rij, godlof: het lezingfeetje. In aandacht verzonken speelde zij met een potlood langs haar halfopen mond, haar ogen wijd en strak op mij gericht. Zij vond mij knap, dat zag ik, en wilde alles, alles van mij leren. 
Zo bleef zij mij aankijken. De volle drie kwartier hield zij het vol en, dankzij haar, ik ook. Ik hervond mijn ponteneur en vervolgde nu als bariton voor haar mijn recitatief. Weer had het wondere lezingfeetje de spreker uitgetild boven zijn gehoor dat nu aandachtig naar hem opzag. Zo zijn veel lezingen gered. 

Toen het tijd was voor de vragen was zij onopgemerkt verdwenen, met medeneming van de student naast haar en met achterlating van nog eens een lege rij.
'Wat denk u, heer professor, van de toekomst van de verzorgingsstaat?'
Wat ik daarvan denk? Dat is, dames en heren, een heel complex probleem, probleem, probleem.