Neem de ondergrondse, het geeft niet waar op Manhattan, en rijd omhoog, uptown. Blijf niet zitten als de aktentassen blijven zitten, verlaat de schoolmeisjes die zelfs in de trein nog zoet zitten te leren en stap uit waar de negers uitstappen en de blanken zitten blijven: Honderdvijfentwintigste Straat, waar de trein bovengronds geraakt is en heel Broadway rammelt. Loop de stationstrappen af. Dat is alles: hier is Harlem, New Yorks oudste negerwijk. Hundred twenty fifth Street, of, zoals de buurt zegt: 'dé straat'.

Hier heb ik niets te zoeken, want dit is de zwarte wijk en ik ben wit, of preciezer, grijsachtig roze. Maar al was ik donkerbruin, dat maakt me nog niet zwart. En al is een zwarte licht-oker, hij blijft een neger. Wie er over nadenkt, heeft moeite om het te begrijpen, maar hier denkt niemand erover na: iedereen heeft het begrepen.

Daar sta ik, reiziger, bezoeker, buitenman, voorlopig nog even op de hoek voor een krantenzaak met die aangeboren bleekheid boven mijn kraag en ik voel mijn kleur: het omgekeerde van blozen, geen kleur krijgen. Iedereen die mij passeert, heeft die wel, een passende tint, zomaar vanzelf. Vanwege die bijkomstigheid loopt hij hier en hoor ik hier niet te lopen. Dat is in het kort het woordeloos gesprek dat ik met de ogen van een voorbijkomende jonge neger voer. Maar, wacht even, nog altijd sta ik op dezelfde straat als waar ik woon, al is dat veertig straten naar beneden: Amsterdam Avenue. En ook die naam is van mij, ik ben in Amsterdam geboren. Ik heb een recht om hier te staan. Dit korte oponthoud was even nodig. Want, zeggen welingelichte New Yorkers: het is gevaarlijk in Harlem, misdaad, prostitutie... En, zeggen andere welwillende Amerikanen: de zwarte nationalisten beschouwen Harlem als hun territoir, de ongekleurde bezoeker riskeert er een pak slaag. De ingewijden uit de Village hebben me gewaarschuwd voor de morfinisten in Harlem, die om aan geld voor heroïne te komen elke voorbijganger aanvallen die er uitziet alsof hij nog een dollar in zijn zak heeft. En de negers die ik sprak, wilden weten wat ik eigenlijk in Harlem te zoeken had: krotten kijken, een nieuwe dosis medelijden voor de arme zwarte halen, een kontje voor mijn sociaal bewustzijn?

Maar dat is allemaal bespottelijk. Ik heb een geldig visum en ik mag gaan en staan waar ik wil. Het is elf uur in de ochtend. Geen bord Verboden Toegang te bekennen. Op weg dus. Maar behoedzaam. Gedenk Tuli, de bleke zanger van de Fugs, die hier nota bene was met LeRoi Jones, zwarte dichter van het zwarte zelfgevoel. Tuli was hier om te zingen van vrede en seks en liefde en hij werd bij de artiesteningang in elkaar geschopt. Dat had hij niet verdiend. Maar wie het wel verdient, die komt hier niet.

Ik loop door deze bijna Amsterdamse straat, een Kinkerstraat, de arbeidersvrouw aan het winkelen. Lage huizen en winkel naast winkel volgehangen met plakkaten, neon aan de gevel en in de opgewonden etalages. Zoals in alle Amerikaanse winkelwijken wordt ook hier het straatbeeld beheerst door de aandoenlijke nadruk waarmee de kleine winkelier zijn aanwezigheid aankondigt: hier ben ik, Johnnie de fietsenkoning, Harrod's, het huis van de goedkope hammen, hier de ééndagsstomerij, hier sta ik van mijn zuur verdiende centen met een eigen zaak. Ik wil van mijn hypotheek af, hoger op, vooruit in de wereld. Mij is verteld dat alle winkeliers in Harlem blank zijn.

Ik controleer het plichtsgetrouw en het klopt. De bewoners van Harlem zijn de zwarte conducteurs, de schoonmaaksters, de portiers en natuurlijk de werklozen en bejaarden. Maar het bezit, de winkels en de huizen, zijn in handen van buitenstaanders, veelal joden, soms Puerto Ricanen, die dan kies 'zwarte joden' genoemd worden. Ze zijn de zetbazen van een maatschappelijk bestel dat dit getto heeft opgeroepen, maar voor de bewoners zijn ze de enig zichtbare voorposten van een vijandige maatschappij; dus richt zich de woede en van tijd tot tijd het geweld allereerst tegen hen. Tot nog toe houden zij het vol in hun vooruitgeschoven posities, versterkt door alarminstallaties en stalen etalageschermen, beschermd door wet en politie. Na vijven trekken zij zich terug in de voorsteden en leiden het avondleven van de Amerikaanse middenstand. Het getto sluit zich in zichzelf. Iedereen is thuis, elk aan zijn kant van de muur. Want Manhattan is een gedeelde stad, zoals Berlijn. Maar hier zijn daarvoor geen Vopo's nodig, geen meter prikkeldraad. De deling blijft in stand, ook zonder wetsbepalingen of dreigementen. Het getto is een open gevangenis, maar er is geen ontkomen aan. Armoede en discriminatie drijven de negers wel terug in hun wijk. De regering van land, staat en stad, talloze verenigingen en instituten werken voor de opheffing van de zwarte armenwijk. Er is niet één organisatie, niet één zegsman die zich daar openlijk tegenover stelt. En toch bestaat de buurt nog steeds. Er komen er zelfs meer. De getto's worden in stand gehouden door een stilzwijgende afspraak van alle omwonenden, van heel Amerika. Meer is niet nodig. Zo gaat dat onder beschaafde mensen. Zo vanzelfsprekend is die overeenkomst, zo verscholen in redelijke argumenten en verborgen door blijken van goede wil, dat hij pas in zijn volle wreedheid blijkt in Harlem zelf. Amerika heeft iets te verbergen.

Wie dat wil leren kennen, moet de getto's in.