Op zoek naar het Amerikaanse gezicht ontmoet ik generaals, gouverneurs en zakenlieden op de foto in krant en tijdschrift. Hetzelfde portret in levende lijve spreekt mij toe achter de toonbank van een drankwinkel of als buschauffeur. Het Amerikaanse gezicht. Het bestaat. Heel vervelend voor de theorie die niet aan nationale gezichten gelooft, en heel vervelend voor mij, die ook al niet in één volk, één aangezicht wil geloven. 

Maar als ik het nu met eigen ogen zie. Het generaalsgezicht. Neem Rockefeller. Hij ligt toevallig voor me. En nog wel op zijn zachtst en aardigst, als kunstliefhebber. Maar toch, opnieuw, nog steeds: de ingezogen lippen die verdwijnen in de mondhoeken; in het midden is een gul doch ferm randje onderlip overgelaten. De ogen toegeknepen tegen een denkbeeldig licht: dat is verte, grootheid, visie. Een diepe groeve loopt van de neusvleugels naar de mondhoeken, laten we dat de ik-heb-veel-geleden-geul noemen. Een bosje rimpels waaiert uit de ooghoek over de slaap, geen pret, geen moeheid, maar wel goed en vriendelijk bedoeld. De streng-doch-mild-plooitjes. Zo ongeveer ziet Rockefeller er uit, maar ook zijn tegenstander Ronald Reagan van Californië. En George Romney van Michigan ook al.
Allemaal gouverneurs. Eisenhower had het kunnen zijn als de jaren zijn gezicht niet hadden opgeblazen tot een babyhoofd. Maar Johnson lijkt alweer, alleen zonder de aansprak op adeldom. Hij heeft het Amerikaanse gezicht, maat dan in oud gummi uitgevoerd. In een film over Kennedy staat hij achter de zonnekoning en zijn glimlach komt over alsof de lijm van zijn rubbermasker los begint te laten.

De grote Hollywood-acteurs hebben het Amerikaans gezicht: Cary Grant, Gregory Peck, Clark Gable, en ook de oudere nieuwslezers op de televisie. Bij hen gaat het samen met een houten stem, een herautentoon waardoor de berichten klinken niet alsof ze ergens zijn gebeurd, zomaar vanzelf, maar alsof het de nieuwsdienst heeft behaagd juist deze brand, juist deze oorlog vandaag voor het ademloos publiek te doen geschieden. Een houten stem en een houten hoofd, niet zo zeer dom als wel gezaghebbend, door de jaren gegroeid met duizend nerven, en met een suggestie van een restje leven, diep binnenin verborgen, zoals in oud hout. Dat is het Amerikaanse gezicht.

Jean-Paul Sartre beschrijft in een zeer on-Sartriaans opstel* uit 1945 een Franse emigrant die hij in New York ontmoette: 'het gelaat van deze man is nog te expressief, hij heeft die enigszins ergerlijke bewegelijkheid van de intelligentie behouden die een Frans hoofd overal herkenbaar maakt. Maar weldra zal hij een boom zijn of een rots. Veramerikaniseerd.'

En waar het nu van komt, erfelijk en ras, óf zoals iemand mij als kind eens zei: 'Dat Hau-Knau-taaltje van die Yankee's, daar gaat je bek naar staan, nietwaar?' Een beetje waar.

Ik denk dat veel Amerikanen een idee hebben van wat een Amerikaan is. En dat is niet zingen en dansen de ganse dag. Dat is werken en- sparen en vooruitkomen en toch rechtvaardig zijn. Dat betekent de tanden op elkaar, de lippen stijf gesloten. En het betekent ook: bezinnen alvorens te beginnen, de situatie eerst eens opnemen, vóór de handdruk de vreemdeling bezien van hoofd tot voet. Vandaar die toegeknepen schattende ogen. Tegen het tiende levensjaar begint die uitdrukking in het gezicht te groeien. Vastberaden, maar niet zorgelijk. Bovenal rechtvaardig. Niet intelligent, slim. Zonder humor, maar als het moet bereid tot lachen. Dienstbereid aan ieder die gehoorzaamt. Eenzaamheid, godsvertrouwen. En een explosie van populaire kunstgrepen, lachen, handen schudden, redevoeren, schouderkloppen. Maar alleen als het moet. Zoveel wil ik zien in sommige gezichten. Gelaat lezen geldt tegenwoordig niet als erg respectabel. Misschien staat het ook niet in die gezichten. Ik meld alleen maar wat ik meen te zien.

Achteraf:

Er zijn ook andere gezichten die horen bij Amerika. Bijvoorbeeld het dikke kinderhoofd van sheriff Jim Clark die zwarte demonstranten opjaagt: er is niets gemoedelijks in dat vet. Veel zuidelijke rassehaters dragen zo'n hoofd en met een helm erop hoort het aan een marinier op wacht voor de ambassade of aan een MP op de Amsterdamse walletjes in een jeep achter de Amerikaanse soldaten aan. Het onbegrijpelijk schoon gewassen voorkomen van veel studenten en sportslieden - hoe krijgen ze het zó geboend? - verraadt ook dadelijk een Amerikaanse afkomst.

In Europa wordt een Amerikaan op slag herkend. Hoe? Aan de snit van zijn pak, de grove schoenen, aan zijn haar en brosse? Of toch ook aan een huidaandoening van veel jonge Amerikanen die duizend putjes achterlaat op de wangen zonder dat ooit pokken of puisten te zien zijn die dat hadden kunnen veroorzaken? Veel vrouwen lijden aan een uitslag in het gezicht, zoals bij violisten wel onder de kin verschijnt, maar bij de Amerikaansen komt het niet van het vastklemmenvan een viool,maar van godweetwat in het drinkwater, make-up, slechte lucht? Zulke kleinigheden kenmerken de Amerikaan evenzeer als overbeet en jeugdpuistjes de Hollander typeren. In woorden zijn mensen het zich zelden bewust, maar aan zulke tekens herkennen ze in één opslag de buitenlander. Wie nationaal voelt, herkent in elk volk het eigene.

* Het was nota bene geschreven voor de Figaro! Zie 'Individualisme et Conformisme aux Etats-Unis' in: J.-P. Sartre, Situations, III, Paris, NRF, Gallimard, 1949.