NRC 6 juli 1985

Nog liever dan verre samenlevingen te leren kennen zou ik mijn eigen omgeving een keer wilen zien alsof het voor de eerste keer was: met de ogen van een vreemde.
Wanneer ik uit het buitenland terug kom probeer ik te blijven kijken als een vreemdeling en doe mijn uiterste best om me te verbazen. Heel even ziet de Haagse weg er nog raar uit, dat platte, groene land en al die blauwe en grijze borden, maar bij de brug over de Amstel ben ik mijn ontwende blik al kwijt.

Wat jammer is dat toch: om een volk te leren kennen moet je erin opgenomen worden, maar ben je er eenmaal deel van dan merk je het eigenaardige niet meer op. Dat gaat eigenlijk ook op voor zelf-kennis, je moet er al een tijd lang jezelf voor zijn en toch jezelf al die tijd met andere ogen gadeslaan. Een onmogelijke opgave. En dat is ‘ons-kennis’ evenzeer. ‘Ons kent ons’ betekent dan ook ‘ons dekt ons’.

Alleen vreemdelingen die hier al heel lang leven en toch buitenstaander zijn gebleven, mensen die hier wel wonen maar niet wennen, kunnen ons ons eigen volksgeheim vertellen. En dan nog blijft er een vraag: Als ze Nederland zo goed kennen, waarom zijn ze dan zelf nog steeds niet gewoon Nederlands, even blind geraakt voor het volkseigene als wijzelf? Tonen ze ons ons volkskarakter, of hun eigen aanpassingsproblemen?

Ik kom daarop door het boek van Derek Phillips, De naakte Nederlander (Bert Bakker, Amsterdam). Phillips is een socioloog, hij heeft dus voor dit probleem gestudeerd. En hij is een Amerikaan die sinds dertien jaar in Nederland woont en werkt. Zijn schets van ons nationaal karakter heeft irritatie gewekt, ook al omdat hij die kenschets op de televisie nog eens puntig en stekelig heeft samengevat.

Phillips begint met een overzicht van de typeringen die eerdere waarnemers van de Nederlandse volksaard gegeven hebben. Er is nogal wat overeenstemming. Maar op één punt wijkt Phillips van die eensgezindheid af. Hij vindt ons niet individualistisch, maar integendeel sterk op de groep gericht en bang om voor eigen mening en geaardheid uit te komen.

Dat komt al meteen hard aan, want als er een leus is die hier telkens weer in spreekkoor wordt opgedreund, dan is het wel: ‘Wij zijn een volk van in-di-vi-dua-listen!’ En Phillips heeft gelijk: dat is niet waar. Nu hij het zegt, er is inderdaad een grote terughoudendheid om met iets eigens en enigs, iets anders dan een ander voor de dag te komen.

Phillips vergelijkt ons met ‘de Amerikanen’ en ik vind dat een grote zwakte in zijn betoog. Amerika is een continent, Nederland een stadsgewest in een landje. En ik denk dat er binnen Amerika zo grote verschillen zijn van streek tot streek, van groep tot groep, dat de Nederlanders altijd wel wat meer zus dan sommige en wat minder zo dan andere Amerikanen zijn. Maar daarmee is Phillips’ constatering niet weerlegd.

‘Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’, dat is de eigenlijke Nederlandse wapenspreuk. En Phillips verbindt het collectivisme en de groepsgebondenheid van de Nederlanders aan hun afkeer van alles wat ongewoon is, maar ook van iedereen die naar beter streeft of meer bereikt. Dat is alweer raak.

Zo wordt een kind dat heel mooi is of heel slim van dat feit met grote zorg onkundig gehouden door zijn omgeving, als leed het aan een fatale ziekte: en, inderdaad, zo'n kind groeit op in het besef dat er een geheim is dat het wel vermoedt, maar toch niet geloven kan.

Nederlanders moeten ook hun ambities voor elkaar verbergen als waren het schandelijke voornemens. In een studiegroepje liet een student zich eens ontvallen dat hij ooit wilde promoveren: 'Jij laat je ook wel kennen', schamperde een ander. Die student had iets laten merken waarvoor hij zich moest schamen. Een afgrond van collectieve hypocrisie gaapte daar: want veel studenten zouden toch willen promoveren als ze er het talent voor hadden, daar komen ze voor.

Die groepsdruk om alle bijzonderheid, vooral uitnemendheid, te verhullen, wreekt zich in de persoonlijkheidsvorming van de Nederlanders, het maakt huichelachtig, vals bescheiden en zet een domper op het plezier in prestaties. Maar het bevrijdt weer van een andere hypocrisie die Phillips onwillekeurig beschrijft als hij een voorbeeld geeft van de royale wijze waarop een Amerikanen een collega geluk zou wensen met een succesje: het voorbeeld dat hij geeft van die generositeit walmt van de nauw verholen afgunst.

Phillips heeft de Nederlanders dertien jaar meegemaakt,maar in een bijzondere fase: in de hitte van de collectieve emancipatiestrijd: studenten, vrouwen, homoseksuelen, Molukkers, Surinamers, zij ketenden zich groepsgewijs aaneen in naam van een collectief vrijheidsstreven. Die bevrijdigsstrijd is nu geluwd en daarmee misschien ook de groepsdruk.

Die fasen voltrokken zich min of meer parallel in Amerika en in Europa, maar Phillips maakte die periode van collectieve emancipering niet mee in Amerika maar in Nederland, en schrijft dat collectivisme onverkort toe aan de Nederlandse volksaard. Hij heeft het over een tijdeloos volkskarakter en nergens breekt het inzicht door dat ook een nationaal karakter in ontwikkeling is, dat er dus net zo sprake kan zijn van een volkshumeur en zelfs een wereldstemming.

Ik zeg dit niet om Phillips’ waarnemingen weg te werken: die Hollandse groepsdruk en die kleinering van talenten ligt loodzwaar op de samenleving. Nederlanders leven met een zelfopgelegde middelmatigheid en zijn daar van dag tot dag tevreden en op de lange duur ongelukkig mee. Wij vinden onszelf netjes, maar ook minnetjes. Er bestaat een Hollandse zelfhaat die verborgen ligt in de tweeslachtigheid van het woord ‘Hollands’ zelf: net als ‘burgerlijk’ helemaal geen compliment is voor burgers, is ‘Hollands’. ‘typisch Hollands’ iets dat eigenlijk geen Nederlander zijn wil. Tussen ‘Nederlands’ en 'Hollands’ schommelt het nationale zelf-gevoel: Phillips’ ‘Naakte Nederlander’ is een ‘botte Hollander’.