NRC 25 januari 1997

In zijn boek over tovenarij en politiek in Afrika (Sorcellerie et Politique. Karthala, Parijs, 1995) schrijft de Nederlandse Afrikanist Peter Geschiere dat in Afrikaanse landen de magie niet op de terugtocht is, maar juist aan belang wint in de verhouding tussen dorpshoofden en nationale politici. Leiders die zich met tovenarij inlaten worden daar met toenemend ontzag bejegend, ze hebben de magie aan hun kant en het is maar beter om op zulke bovennatuurlijk gesteunde machtsfiguren te stemmen.
Geschiere vraagt zich af of in westerse democratieën niet net zo een magisch vermogen wordt toegeschreven aan de reclameadviseurs en campagneconsulenten die de politici met even ondoorgrondelijke als onweerstaanbare kunstgrepen aan de overwinning helpen. Niet de kiezersgunst maar de publicitaire magie brengt hen aan de macht, denken de mensen.

Zou dat nou?

Dat die adviseurs grotendeels aanstellers en bedriegers zijn wil ik wel geloven. En dat de kiezers hun een magische kracht toeschrijven is best mogelijk. De consulenten opereren in het schemerduister van vergaderkamers met statistieken en psychologische profielen en houden zich verder discreet op de achtergrond. Toch krijgt het grote publiek wel iets te horen over hun onbegrijpelijke en verborgen machinaties, zoals ook de aanwezigheid van tovenaars in de entourage van Afrikaanse leiders een publiek geheim is dat bijdraagt aan hun mystiek.
Maar toveren dat kunnen die reclamemakers en campagneleiders niet. Waar zijn ze dan goed voor? Ik heb daar zo'n vermoeden van. Die adviseurs zijn er om hun bazen dat te vertellen wat ze wel van een ander willen horen maar niet uit zichzelf willen zeggen. Consulenten vertellen politici vóór de verkiezingen dat ze de aantrekkelijkste standpunten van de tegenpartij moeten overnemen en na de verkiezingen dat ze hun verkiezingsbeloften zo gauw mogelijk moeten vergeten. De cijfers hebben gesproken en de consulent zegt het ze na. De politicus, zeer tegen zijn zin, dat spreekt, volgt slechts diens wetenschappelijk gefundeerd advies. 
Daarin lijken die politieke consulenten op de bedrijfsadviseurs die ook al groot gewin en veel aanzien weten te verwerven door het onaangename nieuws te melden dat hun opdrachtgevers zelf al wel wisten maar liever voor zich hielden: de productielijn nagelschaartjes maakt geen winst meer en dus (zegt het adviesbureau) moet het dorre hout gekapt worden en gaan de overtollige werknemers eruit. Begrijp me goed, dat vindt de adviseur, niet de directeur. De oude meneer Knip, die het bedrijf zelf heeft opgericht en als knaap al aan de slijpsteen stond, zou eigener beweging nog geen loopjongen de laan uitsturen. 
Nu staat Knip betraand aan de poort en schudt persoonlijk zijn ontslagen werknemers de hand, kust de jongste inpaksters op beide wangen en geeft ze allemaal ten afscheid uit eigen bedrijf nog een alleraardigst reisgarnituurtje mee. Typisch Knip. Fidele vent. Jammer voor hem dat het zo gelopen is, maar de wetten van de markt wilden het zo en zijn deskundige adviseurs hebben voor hem in de ingewanden van de economie de tekenen des tijds gelezen.
Er zijn meer van die functionarissen die tegen uurtarief het beulswerk opknappen en op recept het verraad voorschrijven.

Wat kan een interim-manager dat de gewone bedrijfsleider niet kan? Zich voorgoed gehaat maken. Daarom is hij 'interim', een tussendoortje. Hij kapt, snoeit, ontslaat en verdwijnt. Hoe onmogelijker hij zich maakt bij het personeel, des te verdienstelijker toont hij zich voor zijn opdrachtgevers die kunnen volhouden dat zij uit zichzelf nooit zo hardhandig zouden hebben ingegrepen. 
William Riker heeft ooit de uitdrukking 'fiduciary morality' bedacht: de procuratiemoraal. Zaakwaarnemers die optreden voor een opdrachtgever ontlenen daar het morele recht aan diens belang tegen alle andere overwegingen in door te zetten. Zij treden immers niet voor zichzelf op, maar voor een ander. Daarbij hanteren zij enkel en uitsluitend de richtlijnen die zij ontlenen aan hun vakkennis, voor leken ondoorgrondelijk. Zo is de opdrachtgever dubbel afgeschermd, hij wilde het niet, maar moest het van zijn adviseurs, en die hadden het liever ook anders gewild, maar moeten zich wel laten leiden door hun deskundige bevindingen.

Zijn dit nu tekenen dat de samenleving harder wordt, en dat norm, meegevoel en geweten voor steeds minder tellen? Het kan ook een teken zijn dat de maatschappij zachter wordt, en dat ondernemers en politici de indruk willen vermijden dat zij alleen op winst en macht uit zijn, dat zij het publiek een confrontatie proberen te besparen die in vroeger tijd gemeengoed was.
Maar het gaat niet altijd op. Soms passen de zaakwaarnemers meer op hun eigen zak dan op de waargenomen zaak. Van makelaars die optreden voor de verkoper van een huis hoor je steeds vaker dat ze het goed onder de prijs verkopen om zo met minder werk hun courtage te kunnen innen. Emma Brunt beschreef pas nog zo'n geval in Het Parool en kort geleden kwam het ook in mijn omgeving voor. Daarmee kondigt zich het einde aan van de makelaardij. Makelaars hebben een dubbele voorsprong op leken: hun reputatie en hun informatie. Die informatie komt binnenkort alom beschikbaar op Internet en die reputatie breken ze nu eigenhandig af.
Maar zolang de procuratiemoraal nog functioneert, kunnen de consulenten dienen om hun opdrachtgevers te beschermen tegen kritiek van buiten. De adviseurs hebben besloten, om redenen die de leek nu eenmaal heeft te accepteren.

Geschiere houdt de westerse samenleving een Afrikaanse spiegel voor. Goedgelovig zijn de westerlingen evengoed, ook zij nemen alle expertise voor waar aan. Maar dat westers beeld weerkaatst op de Afrikaanse tovenarij: de leiders kunnen er zelf niets aan doen, het moest helaas van hun tovenaar.