NRC 16 september 1995

De Hongaren die ik in Budapest meemaak zijn op een aandoenlijke manier beleefd. Wie in gezelschap een deur door wil, merkt dat elke keer een nieuw gelid wordt geformeerd naar rang, leeftijd, en geslacht, waarbij al schuifelend een gestudeerde jonge vrouw voorrang verleent aan een oudere functionaris die dit voorrecht met een hoofdknik aanvaardt en opspaart tot een volgende deur waar de volgorde wordt omgekeerd. Een vreemdeling schuift daarbij uiteraard een paar plaatsen naar voren. Blijkbaar kunnen mensen zo'n berekening op drie, vier factoren en over een reeks deuren al wandelend en babbelend, glimlachend en buigend uitvoeren, bedreven als ze zijn in de alledaagse protocol-calculus.

De chauffeurs van de busjes die heen en weer rijden tussen het vliegveld en de stad hebben de hoffelijkheid geperfectioneerd: bij elke stop springen zij uit de auto, lopen op een holletje achterom, openen het portier, halen de koffers uit de laadbak en begeleiden de passagiers naar de ingang van hun hotel sjouwend met de bagage op een sukkeldrafje, zoals die half hollende, half lopende gang in het Nederlands wat neerbuigend wordt genoemd. De gedienstige sukkeldraf had ik voor het laatst waargenomen in India, en daar vatte ik het op als een indrukwekkend vertoon van onderdanigheid. Maar hier is het geloof ik anders bedoeld, als een blijk van moderniteit. 'Entschuldigung' zegt de chauffeur als hij zich weer achter het stuur zet. Met het dienstbetoon jegens mijn medepassagiers is immers zijn dienstverlening aan mij noodgedwongen even opgeschort en misschien heeft dat mij mishaagd.

Al die consideratie met de klant lijkt de westerling ouderwets, maar hier is zoiets juist heel eigentijds. Het is vrije markt gedrag, het is een postcommunistische pantomime die aan moet geven dat niet langer het planbureau de baas is, maar de klant. Het is in alle overdrijving ook een poging tot efficiency: dat moderne ballet dat in het Westen iedereen dansen kan, maar waar ze in midden-Europa nog aan moeten wennen en waarvoor ze de eerste aarzelende passen ontlenen aan een ander repertoire, aan een choreografie die daar wel iets op lijkt en die men zich hier nog vagelijk meent te herinneren van zestig jaar geleden: de hoffelijkheid, in centraal-Europese versie (niet in de flirt versie van 'Ich küsse Ihre Hand, Madame', maar in een omhullende, zorgzame regie die alle onaangenaamheden bij voorbaat moet voorkomen).

Als ik bij de groentestal met mijn boodschappentassen sta te hannesen komt de koopman dadelijk achter zijn kraam vandaan en helpt me de ene zak in de andere te stoppen. Ik vat dit wantrouwig op, denkt hij soms dat ik hulpbehoevend ben? Maar, nee, hij wil alleen maar dat ik de volgende keer weer bij hem koop en niet bij de winkel aan de overkant. Die beweegreden voor hulpbetoon bevalt me, want ik word er niet de mindere van en ben hem bovendien geen dank verschuldigd, hoogstens klandizie.

Omdat ik in het Hongaars nog niet eens goeiedag kan zeggen spreek ik de slager aan met hello en bye, bye en nog een thanks tussendoor. Hij beantwoordt die opgewekte kreetjes met omstandige volzinnen waarachter ik plechtige begroetingsformules vermoed ('Mede namens de duizendjarige Hongaarse natie en tevens uit naam van de Kamer van Keurslagers van Budapest is het mij een groot genoegen u in mijn fijnslagerij te mogen verwelkomen'). Maar zeker weet ik het niet, het kan ook zijn dat 'wat kan ik voor u doen?' in het Hongaars veel langer duurt.

Die hoffelijkheid was in Hongarije onder het afkalvend communisme een manier om tegen het heersende regime te protesteren, vertellen mijn sociologische vrienden me. Maar het had toen ook al iets reactionairs, het verwees woordeloos naar de vormenleer die gold in de standenmaatschappij van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie: 'toen wist men tenminste nog hoe het hoorde, kregen de aanzienlijken wat hun toekwam en kenden de minderen hun plaats.' Die hele subversieve volzin kon worden uitgedrukt met een zwierig aangeboden vuurtje. Lomp en ongelikt gedrag, daarentegen, moest toentertijd vooruitstrevendheid suggereren en de gelijkheid van alle mensen. In de nieuwe wereld zou geen plaats zijn voor nodeloze fratsen die enkel en alleen hadden gediend om de hogergeplaatste te paaien en het werkvolk eronder te houden. Maar met dat al konden ook onder het communisme geen twee mensen tegelijk de deur door. Dus deed men alsof de volgorde van geen belang was en ging zelf eerst.

Ook in progressieve kringen in het Westen werden goede manieren opgevat als voze huichelarij en als verhulling van de reële verhoudingen van onderdrukking en uitbuiting. Onbeschoftheid gold al als een eerste blijk van revolutionaire gezindheid. Die gezindheid is intussen allang verdwenen, maar er zijn nog geen tafelmanieren voor in de plaats gekomen. Behoudende mensen vatten hoffelijkheid van de weeromstuit graag op als bewijs van een bijzondere fijnzinnigheid die hun exclusiviteit kan rechtvaardigen ('Niet dat ze op deze party niet welkom zouden zijn, maar ze zouden zich hier zelf niet op hun gemak voelen').

Toen nu Hongarije voorgoed doorsloeg naar het kapitalisme werd de etiquette weer tot algemeen maatschappelijke verkeersregeling. Als ik het goed gezien heb, verwijst het sukkeldrafje van de chauffeur niet naar het serviele hollen van de koetsier van zestig jaar geleden, maar naar het correct en voorkomend optreden van hedendaagse, westerse stewardessen. Maar het Hongaars postcommunistisch dienstbetoon is daar nog te persoonlijk voor, wil de indruk wekken dat het echt gemeend en innig doorleefd is: het is 'warme etiquette'. Het bedienend personeel in het laatkapitalistisch westen, daarentegen, suggereert geen oprechtheid, maar laat merken dat het alleen maar doet waarvoor het is opgeleid en aangesteld, niet minder en zeker ook niet meer: dat is 'koele etiquette'.